Het kastenstelsel zit in het DNA van Indiërs

Het kastenstelsel ontstond 1.600 jaar geleden. Dat is berekend uit DNA-variaties bij moderne Indiërs.

Dit Indiase meisje verstopt zich achter een tentdoek op het Makar Sankranti-festival op 15 januari. Op dit hindoe-festival nemen duizenden mensen een duik in de Ganges. Foto AP/Rajesh Kumar Singh

De voorouders van moderne Indiërs hebben zich lange tijd met elkaar vermengd, maar 1.575 jaar geleden hield dat abrupt op. Toen moet dus het kastenstelsel zijn geïntroduceerd, concluderen drie Indiase genetici deze week in PNAS. Het drietal baseert zich op een analyse van het DNA van 371 Indiërs die tot twintig verschillende stammen en etnische groepen behoren.

Verschillende landen kennen kastenstelsels, maar nergens is het zo uitgebreid als in India. Het Indiase stelsel bestaat in grote lijnen uit vier kasten, elk met zijn eigen rituelen en levensregels. De brahmanen zijn de priesterlijke kaste, de krijgerskaste heet kshatriya, de vaishya is de kaste voor boeren en handelaren, burgers en arbeiders vormen de kaste van shudra. En er is nog de ‘vijfde kaste’, voor kastelozen: de onaanraakbaren.

Historici weten niet precies wanneer het Indiase kastenstelsel ontstond. In een van de oudste Indiase teksten, het Rig-Veda dat ongeveer 3.500 à 3000 jaar geleden werd samengesteld, wordt het kastenstelsel wel genoemd, maar in een moeilijk dateerbaar, later toegevoegd deel.

De genetici dateren nu de invoering van het kastenstelsel op basis van de genetische afstamming van diverse groepen Indiërs, waaruit die kasten zijn voortgekomen.

Archeologen, taalkundigen en genetici gaan ervan uit dat Indiërs hoofdzakelijk afstammen van twee prehistorische volken. In de vruchtbare vlakte van Noord-India begonnen mensen vanaf circa 8.000 jaar geleden met het verbouwen van tarwe en gerst. Deze mensen spraken later voorlopers van het Sanskriet en Hindi, allebei Indo-Europese talen.

In Zuid-India begon de landbouw veel later. Vanaf 4.600 jaar geleden werden hier gierst en inheemse peulvruchten (mungbonen) geteeld. Deze zuidelijke Indiërs spraken Dravidische talen, zoals het moderne Tamil.

Dat deze twee volkeren al intensief contact hadden, hadden taalkundigen al geconcludeerd uit het Rig-Veda. Het Rig-Veda is in het Sanskriet geschreven, maar bevat ook Dravidische leenwoorden.

De drie Indiase genetici stellen vast dat noord en zuid zich lange tijd met elkaar vermengd hebben. Zelfs volken uit het hoogste noorden, zoals de Khatri uit Punjab, kunnen 1 procent van hun DNA herleiden tot het zuiden van India. In het zuiden werd ook noordelijk DNA gevonden. Naast ‘noord’ en ‘zuid’ vonden genetici nóg twee groepen: sprekers van Munda-talen in het oosten en van Tibeto-Birmese talen in het noordoosten.

India was dus lang een smeltkroes van volken en culturen. Maar dat stopte ongeveer zeventig generaties geleden, blijkt uit simulaties van de genetici. Rekenend met een generatietijd van 22,5 jaar is dat 1.575 jaar geleden. India werd toen bestuurd door de Gupta-dynastie. Voor hogere kasten, zoals de priesterlijke brahmanen, kwam die scheiding het vroegst. Lagere klassen volgden later.

De mensen die op de Andamanen en Nicobaren in de Golf van Bengalen leven, horen tot een vijfde groep Indiërs die verwant zijn aan mensen die op Pacifische eilanden leven. De unieke levensstijl van deze Jarawe en Onge, jagers-verzamelaarsvolken, wordt bedreigd door opkomend toerisme.