Dier

In onze kamer lag,

metaforisch noch veelzeggend,

wel levensecht en letterlijk,

een vrijwel dode mus.

Daar moest iets mee gedaan.

Mond-op-mondbeademing.

Kom hier dat ik u kus.

Onze kamer raakte uit balans.

Was ik dichter, ik begon

een koortsachtig vereenzelvigen.

Niet veel later stierf het dier.

Ik, van alle dichters moe,

schoof poëzie terzijde,

nam het lijkje in mijn kom-

gevormde hand.

Mijn dochter keek pips toe.

In de tuin begroeven wij

de vogel, voor God,

de poes en vaderland.

Het hielp geen zier. Daar

lag hij weer. Verstijfd en met

de snavel open verweet hij mij:

waarom ik, waarom jullie,

waarom juist deze kamer hier?

Sindsdien regent het almaar

dode vogels. Onze kamer

kan het nauwelijks aan. Wij

staan erdoor in lichterlaaie.

Wij niet alleen. Heb het idee

dat ik een wereldbrand afblus.

Ik probeer dus maar weer

woorden uit, hun voor- en

achterkant. De mus gebiedt.

Ik moet eten uit Zijn hand.

Joost Zwagerman