Hoe doet illusionist Victor Mids dat toch?

(28) speelt als illusionist met het brein van de kijker in zijn programma Mindf*ck. Hij is opgeleid als arts. ‘Ik leerde in mijn opleiding veel dingen die ik nu gebruik.’

Victor Mids zet een blauwe en een rode plastic beker op tafel en zegt: „Wil je die rode beker gebruiken, of wegdoen?” Ik antwoord: „Gebruiken.” Vervolgens slaat Mids met de vlakke hand de blauwe beker plat. En zegt: „Wat ben ik blij dat je de rode niet hebt gekozen.” Onder de rode beker staat een mes rechtop. Een echt mes. Hoe wist hij dat ik de rode zou kiezen?

Victor Mids heeft sinds een jaar een eigen goochelprogramma bij NPO 3: Mindf*ck. Hij wisselt visuele trucs af met trucs waarin hij de deelnemers verbaal of geestelijk misleidt, waarbij hij hypnose en andere vormen van zinsbegoocheling gebruikt. Dit seizoen laat hij Frans Bauer gedachten lezen en gaat geblinddoekt met hem autorijden. Matthijs van Nieuwkerk laat hij willekeurige woorden uit kranten knippen, die vervolgens een kop vormen die op de voorpagina staat van een krant van zijn geboortedag.

Zelf noemt Mids zich liever illusionist. „Bij goochelaar ziet iedereen een hoge hoed met een konijn voor zich. Als geen ander weet ik: perceptie is alles. Ik hou ook niet van het woord truc. Dat zou betekenen dat ik je voor gek probeer te zetten en dat is het laatste wat ik wil. Ik wil niet dat de mensen een vervelende ervaring hebben.”

Victor Mids’ vader is orthopedagoog, zijn moeder heeft Nederlands gestudeerd, zijn zus psychologie. „Dus ik heb wel leren nadenken over hoe de ander denkt. Dat is ook mijn fascinatie: de denkwijze van de ander doorgronden.”

Wie was jouw eerste goochelaar?

„Hans Kazan, op tv. Maar daarvoor al kreeg ik als vierjarige mijn eerste goocheldoos. Het was de Hanky Panky Goocheldoos. Binnen twee, drie jaar trad ik al op, bij verjaardagspartijtjes van vriendjes. Ik kwam met mijn vader in het winkelcentrum een goochelaar tegen. Die zei: ‘als je meer wilt dan die standaardtrucs, moet jij je voor dit blad inschrijven’.

„Een van de eerste trucs die ik kocht via dat maandblad, Magic Effects, was dat je over een muntje kon wuiven dat dan verdween. Die kostte 65 gulden, ik had er heel lang voor gespaard. Alleen, mijn handen waren nog te klein voor de truc.”

Als je een goochelaar op tv ziet, weet je dan altijd hoe hij het doet?

„Helaas wel. Soms zie ik een nieuwe truc, dan weet ik niet meteen hoe het werkt. Maar dan bedenk ik vijf methodes die ik zelf zou gebruiken en waarschijnlijk is het één van die vijf. Op zich geeft het niet. Als het verhaal eromheen maar mooi genoeg is, dan kan ik me toch laten meeslepen. Wanneer we nieuwe items voor Mindf*ck maken, denken we ook allang niet meer alleen na over de trucs. In het verhaal zit de werkelijke kracht. De truc kun je er later tussen schuiven.”

Het gaat dus niet om de truc?

„Op een gegeven moment ken je alle basistechnieken, dan gaat het om de combinaties. Daar zit het geheim in. Als je verschillende methodes door elkaar gebruikt, wordt het steeds lastiger te achterhalen hoe ik de valse werkelijkheid presenteer. Er zitten meerdere lagen van misleiding op elkaar.”

Wat is goochelen dan?

„Illusionisme is de kunstvorm waarin je een verdraaide werkelijkheid demonstreert. Waarin je het ‘niet echte’ heel even ‘echt’ maakt. Bij een toneelstuk of film kan de toeschouwer ook even vergeten dat het nep is. Maar je kunt er altijd uitstappen. Illusie gaat één stapje verder. Ik speel ook een rol, maar bij mij kun je er als toeschouwer niet uitstappen. Op het moment dat je iets hebt zien verdwijnen, kun je wel zeggen: ‘het was niet echt wat ik heb gezien’. Maar je kunt het nog steeds niet plaatsen. De illusie penetreert jouw veilige werkelijkheid.”

Dus jij brengt fictie in het leven van de mensen.

„Dat kan een gevolg zijn, maar dat is niet per se het doel. Je hebt mensen die zeggen: ‘Ik moet per se weten hoe het zit. Ik zal niet slapen voordat het strookt met mijn echte werkelijkheid’. En er zijn mensen die zeggen: ‘Ik vind het heerlijk om mij te laten verwonderen. Ik heb het onmogelijke gezien, maar ik heb daar vrede mee.’

Mids krijgt soms het verwijt dat hij vals speelt. Hij zou gebruik maken van slimme montage, van acteurs. Het is immers tv.

Speel je wel eens vals?

„Nee. Wij zitten tegen het medium televisie aan te hikken. Je kunt altijd zeggen: ‘Maar dat is televisie. Televisie is nep’. De kijker ziet niet dat we voor een illusie soms maanden bezig zijn iets uit te denken, te polijsten en te perfectioneren. Ik snap het wel: als je Harry Potter over je scherm hebt zien vliegen, dan is het niet boeiend als ik een muntje laat verdwijnen op straat. Dus je moet zo veel mogelijk aan de kijkers laten zien dat het écht gebeurt.”

Hoe doe je dat?

„Door in mijn gewone kleren de straat op te gaan en willekeurige voorbijgangers te nemen. Je ziet aan de mensen dat ze oprecht verbaasd zijn. En ik gebruik dagelijkse voorwerpen: een gewone mobiele telefoon, gewoon cadeaupapier. Zodat de kijker voelt: dit kan mij ook overkomen.”

En de montage? Moet je eigenlijk niet alleen maar lange totaalshots laten zien, om het eerlijk te houden?

„Dat kan helaas niet. De illusie draait altijd om het afleiden. Strek je hand uit en kijk naar je duimnagel. Die nagel is het enige wat je scherp ziet. De rest van wat je denkt te zien, is wazig, dat vult je brein zelf in. In dat gebied van ingekleurde waarneming kan ik de deelnemer afleiden en meenemen in mijn verhaal. Maar de camera ziet het totale beeld scherp. Dus je móet wel ingrijpen om de aandacht van de tv-kijker ook ergens anders te leggen. Maar dit is alleen relevant voor visuele illusies. Ik ben meer geïnteresseerd in cognitieve illusies.”

Voorbeeld: Victor staat op een brug, geeft een voorbijganger een cadeautje en vervolgens de opdracht om zijn mobiele telefoon in het water te gooien. De jongen doet het, krijgt spijt, en opent het cadeau. Daar blijkt zijn telefoon in te zitten. „Dat is een visuele illusie. Maar veel interessanter is die eerste stap: dat hij überhaupt zijn telefoon in het water gooit. Dat draait om het autoriteitprincipe: dat ik hem kan overreden iets te doen wat hij niet wil.”

Je ziet Mids in het intro van het programma altijd even in een witte artsenjas naar een rapport kijken. Voor zijn illusionisme gebruikt hij wetenschappelijke methodes – althans, dat is onderdeel van zijn verhaal.

„Ik heb nooit als arts gewerkt, maar ik ben wel geregistreerd basisarts. Ik heb mijn co-schappen gedaan. Maar ik heb me nooit gespecialiseerd. Ik leerde in mijn opleiding veel dingen die ik als illusionist kon gebruiken. Zo heb ik toen Neuromagic bedacht. Hypnose, somatiek, overtuigingstechnieken, non-verbale communicatie – dat komt uit de psychologie, sociologie, linguïstiek. Inattentional blindness: dat jouw aandacht zo zeer op iets is gericht, dat je blind bent voor al het andere. Je bent bijvoorbeeld zo gefocust op een stel basketbalspelers, dat je niet meer waarneemt dat er een man in een apenpak langsloopt.”

Ga je ooit nog arts worden?

„Wie weet. Ik wil nog wel promoveren. Wellicht kan ik iets bijdragen. Ik denk bijvoorbeeld aan de invloed van hypnose en overtuiging op angst- of pijnbeleving.”

Je liet een paar mensen op straat hun voornaam vergeten. Hoe deed je dat?

„Ik vermengde die gedachte – dat ze hun voornaam waren vergeten – met een lichamelijke sensatie: dat ze niet meer konden slikken.”

Hypnose?

„Hypnose is niets anders dan een verhoogd rollenspel. Het is een placebo-effect met woorden. Je geeft de deelnemers een zin en vervolgens vertellen zij zichzelf dat die zin waar is.”

Wat kunnen we ervan leren?

„De illusie ontstaat maar op één plek, en dat is in het hoofd van de toeschouwer. Alles draait om hoe ik het aan jou presenteer. Onze perceptie is gekleurd door allerlei normen en waarden en ervaringen. Ik leg de wetenschap erachter uit. Nou ja, tien, twintig procent ervan, een kijkje in de keuken, dat is juist leuk.”

En wat gebeurde er nu met die bekers?

„Dat is geen goochelarij, dat is gewoon sturing. Ik vroeg niet: ‘welke zal ik stukslaan?’ Ik vroeg je: ‘wil je die rode beker gebruiken, of wegdoen?’ De woorden ‘wegdoen’ en ‘gebruiken’ zijn ambigu, die handelingen had ik nog niet gekoppeld aan die bekers. Het gaat om suggestief vragen stellen en om suggestief navertellen. Zo kun je iemands beleving buigen. Pas nadat ik de beker had stukgeslagen, zei ik dat jij dat had besloten. Op dat moment sta jij in mijn verhaal.”

Dus wat ik ook had geantwoord, je had altijd die blauwe platgeslagen?

„Inderdaad. Daarom ben ik zo gek op mijn vak. Je kunt iemand het gevoel geven dat er sprake is van een vrije keuze, terwijl die er niet is.”