Prachtige mix ironie en tederheid in liedjes van Yentl en de Boer

Yentl en de Boerfoto Amanda velt

Het is snel gegaan met Yentl Schieman en Christine de Boer, alias het duo Yentl en de Boer. Nauwelijks drie jaar geleden wonnen ze het Amsterdams Kleinkunstfestival, minder dan twee jaar geleden kregen ze de Annie M.G. Schmidtprijs voor hun geestige theaterlied Ik heb een man gekend en tot voor kort zongen ze elke week een nieuw lied in het cultuurprogramma Opium TV. En nadat ze vorig seizoen al een proefprogrammaatje in kleine theaters speelden, ging zondagavond hun eerste echte voorstelling in première.

De liedjes zijn hun grote kracht. Ze zingen hoogst harmonisch tweestemmig, soms tot op hemelse hoogten, maar deels ook bijna parlando, zodat de nummers op dialogen beginnen te lijken. Soms zijn het zelfs ware toneelstukjes. En daarbij schakelen ze in de teksten tussen een onderkoeld soort ironie en fraaie vertedering, bijvoorbeeld jegens een geliefde. Ik heb een man gekend is ook in deze voorstelling een van de beste nummers, maar er is veel meer. Zoals een wondermooie ode aan de tijd dat je nog in sprookjes kon geloven („toen er nog lang en gelukkig werd geleefd”) en een uiterst gek liedje over een plotseling snoepgebrek: „Nu ben ik weer de enige die zonder zit”.

Tussendoor spelen Yentl en de Boer scènetjes die aansluiten bij hun sprookjesthema – met een heks in een pannenkoekenhuisje en een wedstrijdje tegen elkaar opbieden over beider fantasy-kennis. Eén scène steekt qua spanning boven alles uit: een door Christine de Boer huiveringwekkend gespeeld klein meisje met een morbide geheim. Maar daarnaast heeft De snoepwinkel is gesloten, geregisseerd door Dick van den Toorn, ook minder geïnspireerd materiaal te bieden. In lang niet alle scènes heeft de gekte echt iets te beduiden. En dat er bezoekers door de artiest(en) op het podium worden gehaald, vormt bijna altijd een zwaktebod. Ook hier.

In hun liedjes zijn Yentl en de Boer uiterst origineel. Maar in hun speelscènes nog niet.