Op school gaat het om wie je bent

Engels telt, maar ook kunst, en taal. Hoe meer robots kunnen, des te meer telt op de school van de toekomst persoonlijke ontwikkeling.

Ziet onderwijs van de toekomst er zo uit? In Tokio maken basisschoolleerlingen kennis met de robot ‘Saya’ die meerdere vreemde talen spreekt. Foto Reuters

Niet alleen taal en rekenen zijn belangrijk in het onderwijs. Ook de persoonlijke ontwikkeling van een leerling moet veel aandacht krijgen. Dus wie ben ik? Wat wil ik? En waar ben ik goed in? Maar ook belangrijk: samenwerken, jezelf presenteren, kritiek geven en ontvangen. En burgerschap: aandacht voor gemeenschappelijke waarden in de samenleving.

Het staat allemaal in het eindadvies van het Platform Onderwijs2032, dat gaat over het onderwijs van de toekomst. Dit weekend presenteerde socioloog Paul Schnabel, voorzitter van het platform, het advies waar vorig jaar docenten, schoolbestuurders, leerlingen en ouders over mee mochten praten. ‘Iedereen’ is het er nu ook over eens dat kinderen op de basisschool beter Engels moeten leren, dat losse feiten niet zo relevant zijn en dat scholen zich naast een basiscurriculum moeten kunnen specialiseren. Zodat er onderwijsinstellingen zijn waar kinderen veel aan dans, kunst, taal of juist techniek kunnen doen.

Nu rijst de vraag; is dit wat kinderen later écht nodig hebben. Is dit onderwijs dat aansluit op de arbeidsmarkt van de toekomst? „Dat is een lastige vraag”, zegt onderwijseconoom Trudie Schils van Maastricht University. „De arbeidsmarkt verandert rap en we hebben geen glazen bol. Maar het is wel duidelijk dat menselijke vaardigheden steeds belangrijker worden.”

Robots nemen steeds meer handelingen over. En wij moeten het product aan de man brengen?

„Jazeker. Vroeger stonden mensen bijvoorbeeld veel meer in een fabriek aan de lopende band. Nu moeten ze vaker producten verkopen, in allerlei verschillende functies. En daarvoor geldt dat ze sociaal vaardig moeten zijn en communicatief. Dus ik vind het goed dat het platform veel meer inzet op de persoonlijke ontwikkeling van leerlingen.

„Ook omdat goed zijn in taal en rekenen niet automatisch leidt tot een goede passende baan. Daar zijn veel meer vaardigheden en eigenschappen voor nodig; heb je doorzettingsvermogen en ambitie? En kun je tegen kritiek? Heb je goed contact met collega’s, kun je samenwerken en ben je hulpvaardig? Kun je met stress omgaan? Dát is allemaal minstens zo belangrijk als het vak dat je uitoefent.”

Is er veel onderzoek gedaan naar waar kinderen later baat bij hebben als ze de arbeidsmarkt op gaan?

„Nee en dat is ook lastig. Er spelen zoveel andere factoren een rol bij goede arbeidsmarktkansen. Stel dat we zeggen: iedereen die het vak Latijn volgt, heeft later een goede baan. Dan zul je zien dat inderdaad veel mensen die klassieke talen hebben gedaan, het op de arbeidsmarkt beter doen. Maar leerlingen die Latijn volgen hebben sowieso al meer kans op een goede job; ze hebben veelal hoogopgeleide ouders, een hogere intelligentie en dus betere arbeidsmarktkansen.

„Overigens is ook interessant om te weten wanneer je kinderen het beste iets kunt leren. We weten dat jonge kinderen talen goed oppakken. En er zijn experts die zeggen dat je met wiskunde beter wat later kunt beginnen. Het draait allemaal om efficiëntie, met welk onderwijs op welk moment bereik je de beste resultaten bij een bepaalde leeftijdsgroep.”

In het advies staat dat scholen één basiscurriculum zouden moeten krijgen, dat niet per se omvangrijk is maar wel diepgaand. Zodat scholen daarnaast nog de ruimte krijgen om zich verder te specialiseren.

„Je ziet nu al dat steeds meer onderwijsinstellingen zich profileren. Technasia, iPadscholen, scholen voor muziek en dans of juist voor sport. Ik denk dat dat aan de ene kant een positieve ontwikkeling is. Zo kun je als leerling beter vergelijken en makkelijker kiezen.

„Maar aan de andere kant, kan het ook een nadeel zijn. Uit onderzoek blijkt dat ouders vaak een school uit praktische overwegingen kiezen; dicht in de buurt van hun huis bijvoorbeeld. Dat zou er voor kunnen zorgen dat leerlingen op een school met veel sport komen, terwijl ze dat helemaal niet willen. Maar met één duidelijk basiscurriculum leer je in ieder geval op alle scholen dezelfde basis.”