‘Je moet er middenin staan’

Eddy van Wessel wil een genuanceerd verhaal vertellen over de strijd tegen IS. Een verhaal over mensen.

Foto Eddy van Wessel

‘Met wie?” Eddy van Wessel heeft net een gevangen genomen IS-strijder gesproken in Irak. En nu staat hij tussen de soldaten die op het punt staan een gehucht bij Hawija te omsingelen. Als hij de telefoon opneemt, moet hij „even schakelen”.

Zaterdag won Van Wessel (50) de Canon Zilveren Camera voor zijn serie Sinjar, de strijd om Hoofdweg 47. Van Wessel ging in september op eigen initiatief naar Sinjar. Hij was het jaar ervoor ook in het gebied toen de Iraakse regio door IS werd ingenomen. Daarbij zochten duizenden yezidi’s hun toevlucht in de bergen. „Je krijgt een enorme band met zo’n plek.”

Lees ook: Zilveren Camera voor oorlogsfotograaf Eddy van Wessel, en bekijk de winnaars in alle categorieën

Van Wessel trok op met Iraaks-Koerdische peshmerga-strijders en Yezidische milities die, gesteund door de VS, probeerden Sinjar te heroveren. Eén van de belangrijkste doelen was de strategisch gelegen Hoofdweg 47 die leidt van Mosul naar Raqqa, om zo de toevoersroute van IS af te snijden. Een strijd die letterlijk metertje voor metertje opschoof.

Dagenlang verbleef Van Wessel aan de frontlinie. „Net zolang tot ik vond dat ik het verhaal had.” Een genuanceerd verhaal vooral, zegt Van Wessel. „Ik zou het fijn vinden als mensen inzien hoeveel dit conflict néémt. Aan beide zijden. Dit is namelijk geen strijd tussen goed en kwaad. Het gaat om mensen. Om mensen met haaks op elkaar staande idealen.”

Hij zag jongens overdag vechten, maar fotografeerde ze ‘s avond als ze „op één streepje bereik” probeerden hun ouders te laten weten dat het goed met ze was. Hij fotografeerde mannen die elkaar scheren. „Ze zitten daar op een immense stofwolk, maar nemen de tijd om hun baard ragfijn bij te werken. Ze willen zich mens blijven voelen.”

Van Wessel fotografeert al twintig jaar in conflictgebied. En komt al tien jaar in deze regio. Hoe langer hij ergens is, hoe genuanceerder hij wordt, zegt hij. Dat is meteen zijn pleidooi om erop uit te gaan. Het levert hem bovendien privileges op. Zoals het gesprek met de gevangen genomen IS-strijder. Het liefst zou hij ongehinderd aan beide kanten van het conflict meekijken – maar anders dan op deze manier, zegt hij, gaat dat niet. „Van IS kennen we vooral hun propagandamateriaal.”

Wie hij sprak? „Een knaap van een jaar of vijfentwintig. Als je met zo iemand praat, begrijp je ineens een beetje waarom hij voor IS strijdt. Je hebt geen inkomen, niks, komt er zo’n legertje voorbij. Die zeggen: we betalen je 500 dollar per maand om je gezin te onderhouden. En ze weten precies hoe ze het moeten brengen he? Nou dan moet je sterk in je schoenen staan om daar niet in mee te gaan.”