Column

Het woordeloze, hoe onderga je dat?

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC Handelsblad.

Het was zondagmiddag, ik keek naar Paul Wittemans muziekprogramma. En ineens klonk daar Beethovens Cavatina, weergaloos prachtig gespeeld door het Matangi Kwartet. Je zou zeggen dat je, als je naar een muziekprogramma kijkt, bent voorbereid op het horen van muziek, maar toch overviel het stuk me en verdween ik in de muziek en stroomden de tranen me over de wangen.

Wat is dat toch? Zodra je zo dom bent om die vraag aan jezelf te stellen is alles verknald. Want dan kom je weer met je woordentuig en je begrippenapparaat en dan is het net of je jezelf probeert te overtuigen van je ontroering en dat is anti-ontroerend.

Ook het voorbereid zijn kan de ervaring enorm in de weg zitten: klaar om iets aangrijpends te ondergaan onderga je juist niets.

Ooit was ik op een schip boven de poolcirkel en er werd, zoals vurig gehoopt, omgeroepen dat er noorderlicht te zien was en ik snelde gehuld in twaalf lagen warmte naar het ijskoude dek en keek de lucht in en allemachtig, begon ik mezelf te vertellen, wat een wentelingen, wat een gewemel, nee geflonker, nee dat is het niet het is doorschijnend en –

Zonde. Pas toen ik per ongeluk, uitgeput van mijn eigen oorverdovende innerlijke woordenstroom, opgaf, en alleen maar vaag dacht: wat is dat licht gróót, pas toen onderging ik iets. Nu is het noorderlicht opgeslagen onder het kopje ‘groot’.

Het woordeloze, hoe onderga je dat? Het is de ervaring van bijna iedereen dat de belangrijkste innerlijke bewegingen uiteindelijk woordeloos zijn. Muziek beweegt ons gemoed hevig, maar er valt maar weinig over te zeggen. Zoals ook verdriet of liefde „Mer in ghevoelne van binnen/ (…)/ dat daer es van soetheiden/ dat en mochten u niet all deghene te vollen tellen/ die ye menschelike vorme ontfinge” (Maar wat er van binnen gevoeld wordt, wat daar aan zoetheid leeft, dat kunnen nog niet al degenen die de menselijke vorm ontvingen u helemaal vertellen) schreef de dertiende-eeuwse mystieke dichteres Hadewijch al.

Jane Goodall beschreef ooit tegenover Wim Kayzer de schoonheid van een vlieg die op haar arm kwam zitten: het groen en goud glanzende lijfje, de gouden spettertjes daarin – en dat het woord ‘vlieg’ de ervaring zo sterk tekort doet. „Het woord vlieg haalt iets van de schoonheid van het moment weg omdat, oh het is gewoon een vlieg.” Het gaat om het volledige, woordeloze zien of luisteren dat je op een of andere manier vervult en verrijkt.

Tegelijkertijd heb je woorden nodig om greep te krijgen op je gevoelens en ondervindingen.

En meer dan dat: woorden roepen soms ook zo’n ervaring op, het is beslist niet zo dat ze alleen maar beschrijven. Dat is het wonder van de poëzie. „Appelbloesems,/ net niet teruggevallen aan hun tak.” Ik weet niet precies wat dat betekent, het is de slotregel van een wondermooi gedicht van Faverey waar ik heus wel iets van begrijp, maar dat zich op geen enkele manier laat vangen in andere woorden dan die er staan. Je eigen toelichtingen zijn als een lantaarntje waarmee je steeds een deel kan doen oplichten, het geheel krijg je er niet mee in zicht. Zoals muziek door niets anders kan worden uitgedrukt dan die muziek zelf.

Uiteindelijk moet je dus maar gewoon aanvaarden dat Beethovens Cavatina je kan ontroeren, zonder dat je begrijpt waarom of waartoe. En dat dat, in al z’n onuitlegbaarheid, van belang is.

„Als je niet elke dag met een stok in je ziel roert, dan vries je dicht”, schreef Gerrit Krol. Zoiets is het.