Column

Het plantageresort

Op het hoogtepunt in 1775 waren er zo’n 600 plantages in Suriname. De meeste van die plantages zijn in 2015 verlaten, teruggenomen door de natuur of veranderd in dorpjes en kostgrondjes van de nakomelingen van contractarbeiders en slaven. Maar een paar kilometer van de plantage waar mijn Surinaamse familie haar achternaam kreeg, ligt een ‘klein maar exclusief’ hotel in de gerestaureerde gebouwen van een voormalige koffieplantage. Ik neem er mijn bezoekende Italiaanse vriendje mee naartoe. Voor onderzoek, maar toch vooral om even weg te vluchten uit de chaos en het kabaal van Paramaribo. „De prachtig gerestaureerde gebouwen”, staat op de website, „zorgen voor een unieke sfeer waarbij u zich levendig kunt voorstellen hoe het leven vroeger op de plantages geweest moet zijn.”

Inderdaad, de gerestaureerde plantage is een haven van Hollandse degelijkheid, midden in de tropen. De Surinaamse wildernis is er platgestreken en weggekapt voor een grasveld met felgekleurde bloemen en roomwitte huisjes, met dezelfde rood-witte vensters als de boerderij waarin mijn Groningse oma werd geboren.

De eigenaars, een grote Nederlandse man en zijn Surinaamse vrouw, hebben de plantage veertig jaar geleden gekocht. „Dat leek toen een goed idee”, lacht de man, een beetje treurig. Hij leende geld om alles op te knappen. Er waren jaren dat hij per maand vijf procent rente betaalde. Na de jaren negentig kwam het toerisme op gang. Tegenwoordig kunnen ze de rekeningen betalen. Maar hij en zijn vrouw zijn oud, hun kinderen liggen met elkaar overhoop en willen de plantage niet overnemen. Een paar dagen geleden hebben ze de plantage verkocht. Zijn vrouw zegt: „Het gaat verschrikkelijk worden om deze plek te verlaten.” Alle bomen heeft ze zelf gepland, al het onkruid heeft ze gewied, zelfs het gras heeft ze gezaaid, met eigen handen.

’s Nachts is het stil, maar ik slaap nauwelijks. Om het half uur word ik wakker en zie mijn vriendje door de kamer struinen. ’s Ochtends vertelt hij waarom: zodra hij zijn ogen sloot, zag hij een Creoolse vrouw die hem dingen wilde laten zien en hem vroeg of hij die op wilde schrijven.

Bij het ontbijt vraag ik de eigenaar voorzichtig of hij wel eens vreemde dromen heeft. „Nee”, zegt hij stellig. Hij droomt niet. Dan zegt hij, zonder dat ik daarnaar vraag: „Ik voel me niet verantwoordelijk voor wat hier gebeurde.”

Dus wat gebeurde hier? De website van het hotel geeft een kleine hint: „In 1775 werden 92 hectare voor koffie bestemd, de plantage moet toen een waarde gehad hebben van 370.000 guldens en er werkten bijna 200 slaven op de plantage!” Hoe die slaven werden behandeld, wordt niet vermeld.

Dus laten we Anton de Kom er nog eens bij pakken. „Onze vaders” die letterlijk opeengestapeld, vastgeketend, over elkaar poepend, plassend en kotsend per schip naar Suriname werden ontvoerd. Een dagje in de zon gezet, ingesmeerd met olie en aangeboden op de markt. Met het haar geschoren in figuurtjes, voor de grap.

Dat ik verwacht had om tot rust te kunnen komen op een plek waar ooit 200 slaven werkten, zegt een hoop over wat deze geschiedenis zo treurig maakt. Het onkruid is gewied, het bloed is weggeschrobd, maar de verhalen van de slachtoffers die nodig waren voor dit stukje Holland in de jungle zijn ongehoord gebleven, tot op de dag van vandaag.