Gergjev meesterlijk in Sibelius en Stravinsky

Dit is dirigeerkunst: een orkest in de slotmaten steeds zachter laten spelen, tegen het eind bijna onhoorbaar zacht, zonder dat de energie wegebt. Tot en met de laatste noot van Sibelius’ symfonische gedicht En saga bleef de klank van het Rotterdams Philharmonisch knisperen, zaterdag in het Concertgebouw. Het kwam door Gergjev, de ongrijpbare maestro die volgens de overlevering de klankkleur van ‘zijn’ voormalig orkest al kan veranderen als hij één voet over de drempel van thuishaven de Doelen zet.

De ironie zal het publiek niet zijn ontgaan: Gergjev, vriend van president Poetin, opende met een nationalistisch geïnspireerd stuk van de Fin Sibelius, voor wie Rusland de erfvijand was. Sibelius staat ook niet vaak op Gergjevs programma. Toch leek alles te kloppen: Gergjev slaagde erin duistere landschapsschilderingen tot leven te wekken. De voormalig chef van de Rotterdammers bleef aan de onderkant van het dynamisch spectrum, wat de intensiteit verhoogde.

Het Rotterdamse orkest, hier toch twee à drie keer per jaar te gast, leek te moeten wennen aan de warme, voor spelers ook lastige Concertgebouwakoestiek. Er waren intonatieprobleempjes waar je het orkest in De Doelen zelden op betrapt.

Na de pauze was daar geen sprake meer van: Stravinsky’s Petroesjka kreeg een opzwepende uitvoering, waarin het orkest indruk maakte met ritmische accuratesse en beeldende solo’s, met name van de houtblazerssectie, op dit moment de troef van het orkest. Gergjevs vertelkracht deed de rest.