Een schot in de hals, nog een schot, dood

An Hartman (71) werd negentien keer overvallen in haar sigarenwinkel, bij de vijftiende keer werd haar man doodgeschoten. Maar ze verkocht de zaak toen ze ziek werd en als ze eerlijk is: daar heeft ze spijt van. Van thuiszitten word je pas echt moe.

Foto Mieke Meesen

An Hartman schildert graag, tijd zat nu. Maar het rare is, het komt er niet van. Denkt ze: ga ik een taal leren, Spaans of zo. Geen geduld voor. Tuinieren dan? In de winter? Laatst zei iemand: zoek vrijwilligerswerk. Ja, in een bejaardentehuis zeker. Niet dat ze geen kennissen heeft, maar de een woont in Valkenswaard en de ander in Ter Aar, en zelf woont ze tegenwoordig in Muiderberg. Ja, vroeger, in Amsterdam, dan stapte je zo in de tram. Nu zit je ’s avonds in je eentje in de auto, in the middle of nowhere. Winkelen houdt ze ook niet van. Denkt ze bij het opstaan: ga wandelen, goed voor je cholesterol. Blijkt iedereen een hond te hebben, behalve zij. Volgende ochtend, andere route. Begint het te regenen.

Had zij het voor het zeggen gehad, dan had ze op een door háár gekozen tijdstip afscheid genomen van de winkel. Je bedankt je klanten, zij bedanken jou, hapje, drankje, een presentje misschien. Nu werd ze gedwongen door de kanker. Die diende zich in oktober 2013 aan en op 1 februari 2014 was de winkel verkocht. Begrijp haar niet verkeerd, ze is blij dat ze er nog is. D’r haar heeft ze godzijdank ook weer terug. Maar dat ze de regie kwijt was, dat weegt zwaar. Zwaarder dan al die overvallen die ze heeft meegemaakt. Een overval, ach ja, op een gegeven moment weet je hoe het gaat en wat de nasleep is. Kanker brengt je aan de grond.

Toen ze nog alle dagen achter de toonbank stond, dacht ze wel eens: als ik later oud ben en aan mensen vertel dat ik negentien keer ben overvallen, en dat bij de vijftiende keer mijn man is doodgeschoten, zouden ze me dan geloven?

Je moet weten dat tabakszaak A. J. Hartman op de hoek zat van de Molukkenstraat en de Valentijnkade, in Amsterdam-Oost. Die jongens konden vier kanten uit vluchten. Brommertje voor de deur, twee op de uitkijk, twee naar binnen, pistool op je hoofd: DIT IS EEN OVERVAL. Op het laatst zei ze wel eens: sodemieter toch alsjeblieft op. Ouder dan zestien of zeventien waren ze nooit, hè. En altijd Marokkanen.

Behalve de eerste keer, in 1977, toen was het een Antilliaan. Zij en haar man, André, hadden twee jaar daarvoor de zaak overgenomen van haar oom en tante. Staat er opeens een man in de winkel die sprekend lijkt op iemand die ze kent. „Hé, wat leuk dat ik je zie.” Is het hem helemaal niet. Hij haalt een pistool uit zijn zak en zegt dat ze rustig moet blijven. Een professional. Schopt een wig onder winkeldeur zodat die niet meer open kan en dwingt haar om naar haar man te lopen. Die zat altijd achter het loket van het postagentschap dat ze destijds nog hadden. Brandkast open en die Antilliaan ervandoor met duizenden guldens van de posterijen. Sta je wel even te kijken.

Voor het eerst van haar leven heeft ze tijd om de film terug te draaien. Denkt ze aan haar vader, dat die stierf toen ze vijf was. Kanker ook. Ze ziet hem nog lopen, gebogen, met een stok. Op het laatst woog hij 35 kilo. En hij was zo’n vrolijke man geweest. Altijd zingen, „er reed een cówboy ovér de práírie”. Na zijn dood zong zij het nog, want dan kwam hij misschien wel terug. Hij was kleermaker en ze woonden in een prachtig pand op de Prinsengracht. Op school praatte ze over hem alsof hij nog leefde, tot de meester aan haar moeder vroeg waarom haar man zo weinig interesse in zijn dochter toonde. Wat had ze toen op haar kop gekregen!

Na een jaar waren ze bij die oom en tante in de Molukkenstraat ingetrokken. Daar heeft ze geleerd de knop om te zetten, wat haar later goed van pas kwam. Haar tante was een schatje, maar haar oom – zo’n moeilijke man. Snapte ze haar rekensommen niet, „oom Piet, kan u me helpen?” „Ja, morgenochtend om zes uur.” Komt ze beneden, zegt hij dat ze te laat is. „Maar oom Piet, de klok boven…” Niks mee te maken, op mijn horloge is het één minuut over zes, ga maar weer naar boven. Had het gesneeuwd, wilde ze buitenspelen. „Alstublieft, oom Piet.” Mocht niet. Hele week huisarrest. Zomaar.

In de oorlog was oom Piet opgepakt toen hij een verzetskrantje aan het drukken was. Daar heeft hij zijn hele leven op geteerd. Ik heb in het verzet gezeten. Ja, één dag. Evengoed moest hij naar een strafkamp en daar zal hij wel door getraumatiseerd zijn geweest. Maar wat wist je daar nou van? Daar werd toch nooit over gepraat?

André zat in de schoenen. Uiteindelijk was hij filiaalchef bij Van Haren. Alleen, hij haatte schoenen en daarom hadden ze de tabakszaak overgenomen. Na de zoveelste overval had hij een oplossing bedacht. De volgende keer zou hij de deur van het postagentschap openzetten. Kon zij naar binnen glippen. Daarna gooide hij de deur in het slot en zouden ze op hun gemak de politie bellen. Kogelwerend glas, hè. Maanden later, ja hoor, een overval. Zij met het pistool tegen haar hoofd naar die deur toe, en wat denk je? Dicht. Haar man staat aan de grond genageld. Zegt zij na afloop: geweldig hoor, dat scenario van jou. Ja, ja, hij was zo geschrokken. Zij: verzín dat dan ook niet, je wéét toch dat je zo reageert en nou was ik bijna de klos.

Ze weet zeker dat hij bij zijn overlijden ook als een zoutpilaar is blijven staan, en dat dat hem fataal is geworden. Zaterdag 6 november 1993, half vijf ’s middags. Zij was al naar huis voor de boodschappen en hij deed de dingen die hij altijd op dat tijdstip deed. Kranten tellen, lijsten maken, kijken wat de lotto-omzet was geweest. Klanten die hem eerder op de middag hadden gezien, zeiden later tegen de politie dat hij steeds naar achteren stond te kijken, alsof daar wat was. Zij weet precies waar hij naar keek. De maanden voor zijn overlijden had hij visioenen van een mannetje in een geruit pak dat naar hem lachte. Voor haar een aanwijzing, achteraf, dat zijn tijd gekomen was.

Deze keer was het een jongen van zeventien die uit de jeugdgevangenis was ontsnapt. Op zijn vijftiende had hij al een moord gepleegd. Haar man staat met zijn rug naar hem toe en doet niet wat die jongen zegt. Een schot in de hals, nog een schot, dood. Zo moet het gegaan zijn, al trok de politie haar verhaal eerst in twijfel. Had zij misschien opdracht voor de moord gegeven? Wilde ze geld van de levensverzekering opstrijken? Als ze dáár aan terugdenkt, begint ze weer te trillen van woede.

Er was eens een psychologe die zuiver uit nieuwsgierigheid aan haar vroeg hoe ze dat nou deed: elke keer weer opstaan en opnieuw beginnen. Moet u luisteren, antwoordde ze. Ik loop op een weg, alleen, en in de verte zie ik een man aankomen die van kwade zin is. Achter mij is een hangar. Ik laat hem dichterbij komen, tot hij vlak bij me is, en dan trek ik de hangar open. Komt er een heel grote tank uit en die rijdt dwars over hem heen. Daar dacht ze altijd aan als ze het weer achter de rug had.

Het leuke was: de dagen na een overval kwam de hele buurt langs, en niemand ging de deur uit zonder wat te kopen. Als ze nou heel eerlijk is: dat mist ze. De gezelligheid, de lol. De spanning ook. Nee, ze heeft nooit overwogen om zelf een pistool te kopen. Nou ja, één keer, maar toen werd haar man kwaad. Een overvaller is altijd sneller dan jij, en het wordt een bloedbad. Honkbalknuppel, ook geen goed idee. Ze dwingen je om die uit je handen te laten vallen en jij krijgt hem op je hoofd.

Tegen haar dochters, ze heeft er twee, zegt ze: blijf zo lang mogelijk doorwerken. Je wordt wel moe, maar van thuiszitten word je pas echt moe. En overgevoelig. Als er iets ergs op het nieuws is, zit ze te janken. Nu ze geen mensen meer om zich heen heeft om tegen te praten, praat ze tegen zichzelf. Of tegen André, want in haar hoofd is hij er gewoon nog. Of tegen haar vader. Gelukkig zit ze op dansen, al jaren, elke maandag. Hartstikke leuk, al kan ze niet meer overal aan meedoen. Komt door de chemo. En door de leeftijd natuurlijk. Maar ze geeft liever de chemo de schuld.