Een paradijs voor verkrachters?

In de universiteitsstad Missoula vond een golf van verkrachtingen plaats. Slachtoffers vertellen aan schrijver Jon Krakauer wat hen overkwam. Hij deelt hun woede, maar mist de nuance.

Illustratie Nanne meulendijks

Er kunnen voor een journalist twee manieren zijn om medeleven te uiten: afstandelijke non-fictie schrijven, of een betrokken aanklacht. Meestal levert de eerste variant de beste boeken op, zoals Jenny Nordbergs De verborgen meisjes van Kabul of Een van ons van Asne Seierstad, over Anders Breivik. Geschreven met mededogen maar zonder een spoor van sentimentaliteit.

Jon Krakauer is iemand die afrekent met de tweede variant. Hij deed dat bijvoorbeeld in Three Cups of Deceit, waarin hij Greg Mortensen en diens boek Three Cups of Tea afserveerde omdat deze omwille van de sentimentaliteit wel heel veel tragische figuren in het Pakistaanse landschap had verzonnen. Van Krakauer verscheen nu Missoula in vertaling. Hierin beroept de Amerikaanse bestsellerauteur – vooral bekend van zijn verfilmde Alaska-wildernis boek Into the Wild en het Mount Everest-drama Into Thin Air – zich op getuigenverslagen, hoorzittingen, politieverslagen en gesprekken met slachtoffers van campusverkrachtingen.

‘Verkrachting is het meest ondergerapporteerde ernstige misdrijf in de Verenigde Staten. Uit zorgvuldig uitgevoerde studies blijkt telkens dat minstens tachtig procent van de verkrachtingen niet aan de wethandhavers wordt gemeld. Wanneer iemand in de VS wordt verkracht, blijft de verkrachter in meer dan negentig procent van de gevallen omgestraft’, aldus Krakauer.

Hoe kan het dat zoveel vrouwen terughoudend zijn in het doen van aangifte en waarom monden de aangiftes die wél worden gedaan zo zelden uit in een daadwerkelijke vervolging? Om die vragen te beantwoorden, richtte Krakauer zich op enkele studentes in de universiteitsstad Missoula, in de staat Montana, die tussen 2010 en 2012 aangifte deden.

De discussie over campusverkrachtingen werd eind vorige eeuw al gevoerd, waarbij het elke keer de discussie was of de studentes die te veel hadden gedronken of drugs hadden gebruikt niet zelf schuldig waren. Een kwalijke zaak, stelt Krakauer terecht: dronkenschap is geen uitnodiging tot verkrachting.

Een hoogtepunt in de discussie werd bereikt toen in 2011 de media het onderwerp breed oppakten en concludeerden dat er te weinig aan deze kwestie werd gedaan; anderen daarentegen noemden de aandacht ervoor ‘verkrachtingshysterie’. Obama ondertekende in 2014 een wet die voorschrijft dat verkrachters ‘harder’ moeten worden aangepakt.

Ze leed aan zelfvernietigingsdrang

Het is de vraag wat Krakauer daar nog aan heeft toe te voegen. Er klonken in de VS zelfs verwijten dat hij wel erg zijn best deed om een politiek correct tegenwicht te geven aan de ‘verkrachtingshysterie’.

De aanpak van Krakauer is integerder dan alle kritiek doet vermoeden. In 2012 vertelde een vriendin dat zij tweemaal was verkracht door een bekende. Ze leed daarna aan ‘zelfvernietigingsdrang’, zoals veel verkrachtingsslachtoffers. ‘Hun zelfvernietigende gedrag wordt vaak als “bewijs” gezien dat ze onbetrouwbaar zijn en hun gedrag moreel verwerpelijk is, ofwel dat ze erom hadden gevraagd.’

Krakauer verweet zichzelf dat hij zo weinig wist van wat zijn vriendin had doorgemaakt en besloot zich te verdiepen in het leed dat verkrachte vrouwen wordt aangedaan. De verhalen over posttraumatische stress die hij had gehoord van veteranen uit Afghanistan (die hij had gesproken voor zijn vorige boek Where Men Win Glory) leken verdacht veel op wat hij hoorde van zijn vriendin. Voor posttraumatische stress is geen geneesmiddel, schrijft hij, maar om toch door te kunnen en ‘belagers een flinke klap uit te delen’ kunnen de slachtoffers het beste hun zwijgen doorbreken.

Krakauer sprak enkele meisjes (helaas geen mannelijke slachtoffers om te kijken of er nog verschil in trauma is of respons bij de politie) en is verbijsterd over de verhalen die volgens de politie geen reden zijn tot vervolging. Het gaat elke keer om meisjes die bij een feestje dronken waren en verkracht werden.

Opvallend genoeg merkt Krakauer dat de universiteiten harder optreden tegen verkrachters dan de politie. De universiteit kan echter niet veel meer doen dan iemand wegsturen. De verkrachter krijgt geen aantekening mee en kan ergens anders verder studeren. In zijn verontwaardiging over de politie haalt Krakauer vooral uit naar officier van justitie Kirsten Pabst, die een getuigenis aflegde in het voordeel van de verkrachter, zonder het slachtoffer gesproken te hebben. Krakauer beschrijft haar als iemand die vooral empathie heeft voor de aangeklaagde. Ook enkele rechercheurs krijgen ervan langs omdat ze tijdens een verhoor, nog voordat het onderzoek daadwerkelijk was ingesteld, concludeerden dat het allemaal om een misverstand ging.

Ziedend – als het klopt

Dat zijn inderdaad zaken om ziedend van te worden – als ze kloppen, natuurlijk. Want Krakauer sprak alleen de slachtoffers en niet de daders, noch de rechercheurs of de officier van justitie. Zeker wanneer Pabst zo hard wordt aangepakt, was het logisch geweest om op z’n minst te vragen: waarom?

Krakauer is dermate kwaad over hoe er wordt omgesprongen met de studentes dat hij nietsontziend uithaalt. Hij citeert uit rapporten die aantonen dat een verkrachter bijna altijd in herhaling valt, hij komt met allemaal percentages aan, herhaalt zich diverse malen en heeft geen oor voor welk tegengeluid dan ook. Het is natuurlijk goed dat Krakauer stem geeft aan slachtoffers, maar er kleven wel enkele bezwaren aan zijn eenzijdige benadering. Problematisch zijn de statistieken. Weinig politiek correct misschien haalde de feministe Katie Roiphe in de jaren negentig aan dat die statistieken vaak onbetrouwbaar zijn, en seks waarvan de vrouw spijt krijgt, is niet altijd verkrachting. Roiphe wordt door Krakauer in een bijzin als ‘ongenuanceerd’ weggezet.

Nu is dat nog een kwestie van interpretatie, maar riskanter wordt het wanneer je kijkt naar het enorme vertrouwen dat Krakauer hecht aan een onderzoek van David Lisak uit 2002. Hij citeert er regelmatig uit en zijn schets van de campuscultuur is voor een deel op Lisaks verontrustende cijfers gebaseerd. Serieverkrachters zijn een plaag, volgens diens invloedrijke onderzoek. Wanneer Obama in 2014 de wet tekent waarmee verkrachters harder aangepakt kunnen worden, is dit een van de onderzoeken die worden geciteerd: zo’n tien procent van de mannelijke studenten zou een serieverkrachter zijn; een kwart van de vrouwelijke studenten slachtoffer.

Nauwelijks te verantwoorden

Het probleem is echter dat Lisak geen onderzoek deed, maar zich baseerde op bestaand en zeer uiteenlopend onderzoek (van studenten, maar ook onderzoek dat niets met seksueel misbruik aan universiteiten te maken had). Daardoor trok Lisak volgens andere wetenschappers statistisch nauwelijks te verantwoorden conclusies. Het blijkt dat buiten de universiteit even vaak verkrachtingen plaatsvinden door een bekende als op de campus. De campus is dus bepaald geen paradijs voor de anonieme serieverkrachter, zoals Lisak meent – en waarin zowel de Obama-regering als Krakauer te kritiekloos zijn meegegaan.

En zo blijkt dat Krakauer tegen wil en dank toch een journalistieke aanklacht heeft geschreven, waarin hij door zijn gehamer weinig vertrouwen toont in de lezer die zelf de empathie invult. Toch categorie twee, dus.