De zee heeft een slecht geheugen

Het is dankbaar zwerven over de golven en langs de randen van de Noordzee. Een Britse journalist deed dat jarenlang, met twee vragen op zak. Hoe kun je naar de zee kijken? En wat zie je dan eigenlijk? Door Hans Steketee

Foto Mischa Keijser / Hollandse Hoogte

Dover en Calais liggen achter ons. We varen deze trechter uit en de zee op, die van hier reikt tot IJsland en Noorwegen. Het is harder gaan waaien. Golven rollen sissend onder de boot door. Oude zeemanswijsheid: zodra je bedenkt dat je misschien straks zeil moet reven, is het nu al tijd om het te doen.

Aan bakboord schuiven de zeeschepen voorbij, een file naar het noorden en, iets verder weg, een naar het zuiden. Schepen vol containers als blokken flats, autotransportschepen, oranje gastankers – negentig procent van de wereldhandel gaat over zee.

Straks splitst de route zich. Sommige schepen die naar het noorden varen slaan linksaf, tussen de zandbanken door de Theems op of naar de containerhavens van Felixstowe. Andere buigen naar rechts de Schelde in, langs de Zeeuwse eilanden naar Antwerpen. Of ze varen nog even door, naar Rotterdam, Hamburg en verder. Zoals ze allemaal al eeuwen doen.

Het idee van twee grote delta’s aan weerskanten, en die twee rivieren, zeearmen, met een historische havenstad aan het einde, alsof ze elkaars spiegelbeeld zijn — zo had ik nog nooit naar de Noordzee gekeken. Ik zag het voor het eerst op die zeiltocht.

De Schelde vs. de Theems

Maar het was geen originele gedachte, weet ik nu. Dankzij Tom Blass, een Britse journalist die al jaren rond en over de Noordzee reist en nu het magnifieke boek The Naked Shore of the North Sea heeft geschreven.

Hilaire Belloc (1870-1953), politiek activist en zeilend schrijver, zag de ‘spiegeldelta’s’ veel eerder. En scherper. ‘Door de vlaktes die de Noordzee omzomen en er nauwelijks waarneembaar in verdwijnen, zich tenslotte vermengend met de ondiepe vloed, en weer tevoorschijn komend in verre zandbanken en minder opvallende ondiepten, stromen twee waterwegen ver landinwaarts, die zowel afvoer als inlaat zijn, uitgeschuurd door het getij’, schreef Belloc in River of London (1912). ‘Ik zie de Schelde en de Theems als twee tegenstanders die elkaar voor het gevecht aankijken over het strijdtoneel heen, het ondiepe, tuimelende, gele water van de Noordzee.’

Blass citeert hem uitgebreid en je ziet meteen waarom. Bellocs perspectief op die twee overkanten is eerst geologisch en dan historisch; de Engelsen en de Lage Landen hebben elkaar het leven eeuwenlang zuur gemaakt, al waren ze net zo van elkaar afhankelijk. Het is in een notendop ook Blass’ eigen methode in dit boek. Hoe kun je naar de zee kijken? En wat zie je dan eigenlijk? Die twee vragen stelt hij voortdurend tussen de regels. De eerste is praktisch, heeft met journalistiek vakmanschap te maken. De tweede gaat over verbeelding en zoiets vluchtigs als identiteit.

De Noordzee geldt als ongastvrij en koud, decor van oude zeeslagen en klamme strandvakanties uit het tijdperk vóór easyJet. En nu vooral een plaats waar geld wordt verdiend. Met vis, nog steeds, met olie, gas en zelfs de wind. Maar die zee en de ‘naakte oevers’ uit de titel hebben een ‘eigen allure’, schrijft Blass. Die wil hij vangen.

Zijn reis en het boek beginnen op de Longstone, een klein vrachtschip, op de oude route tussen Hull en Gotenburg in Zweden. Engelse wol ging daarheen, bont kwam terug. Nu is het heen met kattenvoer en auto-onderdelen. En Volvo’s en kerstbomen op de terugreis. In het kielzog laat hij eeuwen van oorlog, handel, kunst en technologie afrollen; een tour d’horizon van de Noordzee door tijd en plaats. En intussen vermaakt hij zich met de mannen aan boord, over de kapitein die zich nauwelijks laat zien, de zwijgzame kok die niet kan koken, en de tweede stuurman die alles al een keer heeft meegemaakt. Mannen van weinig woorden, laconiek, down to earth zou je zeggen, als het niet zo gek klonk op een rollend scheepsdek.

Over de zee zelf is niet zoveel te zeggen

Daarna reist Blass langs de Schelde en wandelt hij langs de Theems, van Londen naar de zoutmoerassen en militaire oefenterreinen aan de monding. In Oostende zoekt hij naar wat de schilder James Ensor daar zocht. En hij vraagt zich af waarom in de achttiende eeuw daar en elders opeens het merkwaardige idee postvatte dat zout water niet iets was om vooral bij uit de buurt te blijven, maar je erin onder te dompelen.

Hij bezoekt de Duitse en Nederlandse Wadden, de Shetland-eilanden, Helgoland, de restanten van ooit bloeiende vissersgemeenschappen in Hull en Grimsby, Skagen, waar de Noordzee en de Oostzee elkaar tegenkomen.

Plinius de Oudere geloofde het maar half, toen hij hoorde dat het ‘miserabele volk’ in het noorden op zelfgebouwde heuvels moest wonen, omdat de zee er twee keer per dag het land overspoelde en je niet wist of dit nu land of water was. Blass maakt daar in een prachtig zinnetje van dat ‘de Noordzee het oude axioma betwistte dat het een niet het ander kan zijn’. Niet of-of, dus, maar en-en.

Over de zee zelf is niet zoveel te zeggen. Het water klotst, of niet, en verandert van kleur. Alleen passerende schepen en booreilanden zorgen voor interpunctie, een gevoel van schaal. Maar de randen, waar de mens al zo lang van, aan, met of tegen de zee leeft, en waar je niet scherp ziet waar zee land wordt en omgekeerd – ‘land geleend van de zee’, schrijft hij ergens – bepalen volgens Blass het echte karakter van de Noordzee.

Ze veranderen wel in hoog tempo. Nederlands slib en zand werden basalt en beton, werden ‘minder ambigu’ – een proces dat actueel blijft door het debat over kustbebouwing. Polders en steden verdronken overal. En, niet-fysiek: plaatsnamen en talen zonken weg. Oude, ‘zachte’ navigeerkunst met peillood en gegist bestek maakte plaats voor de kille precisie van het gps. Prehistorische voetafdrukken van mannen, vrouwen en spelende kinderen in de klei, die even werden bloot gewoeld na een storm en meteen erna voor eeuwig uitgewist.

De zee heeft een slecht geheugen, schrijft Blass. Aan de randen ‘jaagt hij zijn erfenis erdoorheen als een spilzieke zoon’. Maar hij had ook kunnen schrijven dat verandering misschien wel de kern van die identiteit is.

Veel keert ook terug, althans in dit boek. Scheepsrampen en zeeslagen bijvoorbeeld; die uit de Engels-Nederlandse oorlogen van de zeventiende eeuw beschrijft hij als ‘scheepsballetten, gehuld in rook’. De slag bij Jutland in 1915, een Brits-Duits gelijkspel dat 10.000 mannenlevens kostte. Het zinken van de veerboot Herald of Free Enterprise bij Zeebrugge.

Vissen, van de haring als bron van Nederlandse welvaart, tot de walvissen, dolfijnen en steuren, die Royal Fish heten omdat ze nog steeds toevallen aan de Britse Kroon als ze aanspoelen. En de kabeljauw, inzet van de (verloren) cod wars met IJsland.

Eilanden, bouwkunst, excentriekelingen

Er zijn eilanden, klein en groot, permanent belaagd door de zee, zoals de Duitse Halligen in Schleswig-Holstein, ‘van een overweldigende horizontaalheid’, waar ze nog steeds op terpen wonen en zich totaal niet miserabel voelen.

Er is scheepsarchitectuur, een prachtig voorbeeld van form follows function, laat Blass keer op keer zien. Na de slanke longboats van de Vikingen, ideaal om vijandige rivieren in te steken, verscheen in vreedzamere tijden het logge kogschip, gemaakt voor wijn en graan. De snelle kotter, met zijn twee voorzeilen, ontstond uit de wapenwedloop tussen smokkelaars en douaniers.

Er is taal. Zoals het esperanto van de Hanze, een mengelmoes van Deens, Duits, Nederlands, Russisch en nog zo wat, dat eeuwenlang werd gesproken. En Blass’ verwondering over de Duitser die ‘Fries’ met zijn koeien spreekt en Hoogduits tegen zijn hond.

En er zijn de excentriekelingen die als vanzelf en vanouds naar de rand van het land bewegen. Zoals de passief-agressieve religieuze commune in Essex, waar het geurt naar ‘yesterday’s spaghetti bolognese and Vim’. Of de mannen van het reddingsstation op een kiezelige landtong aan de mond van de Humber – een van de naaktste oevers uit het boek en de naked shore uit Shakespeare’s Henry IV – die met hun gezinnen ook een soort, anti-autoritaire, commune vormen.

En bootjestypes, vissers, allemaal mannen en allemaal een beetje maf, zoals ook de vogelaars, waarvan de ‘wederzijdse erkenning vermoedelijk de grootste aantrekkingskracht’ van deze hobby vormt.

The Naked Shore voegt zich naadloos in de ‘Noordzee-canon’. Tussen – om een paar titels te noemen – Coasting van Jonathan Raban, die op zijn zeiltocht rond de Britse eilanden in 1982 op zoek ging naar de Britse identiteit (en die van zichzelf); Alain Corbins Verlangen naar de Kust uit 1988, over de fascinatie met de zee vanaf 1750; Michael Pye’s The Edge of the World uit 2014, over de Noordzee als bakermat van de moderne tijd in Europa. Er is Patrick Barkhams Coastlines uit 2015, dat soms rakelings langs dit boek scheert. En Langs de kust (2014), waarin journalist en zeiler Thijs Broer zich afvraagt waarom Nederland zijn band met de zee langzaam verliest en zich terugtrekt achter de dijk, mag er ook bij.

Sommige van die boeken zie je er zelfs doorheen schemeren. Het is wel een beetje gek dat hij Pye’s bestseller niet eens noemt. Idem de natuurboeken van Robert Macfarlane. Blass had ze best als medereizigers kunnen beschouwen, om een stukje met ze op te lopen, of te varen.

De Noordzee laat zich niet vangen

Soms zie je iets te duidelijk dat hij lang met dit boek bezig is geweest; de veerdienst Oostende-Ramsgate is bijvoorbeeld al jaren opgeheven. En een enkele keer voel je je zelfs een beetje bekocht, bijvoorbeeld als de lange aanloop naar een tocht met een vissersboot niet doorgaat, of een bezoek aan het ‘koninkrijk’ Sealand, een fort uit de Tweede Wereldoorlog net buiten de Britse territoriale wateren, waar een excentrieke East-Ender de scepter zwaait.

Maar dat valt allemaal in het niet bij de caleidoscopische rijkdom van wat dit boek wel biedt. Sterker, ergens versterkt het zelfs de boodschap dat de Noordzee zijn echte geheimen niet op het water prijsgeeft, maar aan al die randen waar Blass wel komt. Zelf betwijfelt hij dat. Welke lens je ook op de zee richt, welk perspectief je kiest, schrijft hij aan het slot, ‘de Noordzee laat zich niet vangen in woorden’. Te bescheiden. Dit boek laat eerder het omgekeerde zien. De Noordzee was en is een onuitputtelijke bron van verhalen.