De moord op Litvinenko en de vuile handen in Moskou

Er bestond al weinig twijfel dat Rusland de hand had in de moord op Aleksandr Litvinenko, in 2006 in Londen. De ex-agent van de Russische geheime dienst kreeg in 2003 politiek asiel in het Verenigd Koninkrijk. Hij stierf drie weken nadat hij in een Londens hotel was vergiftigd met radioactief polonium-210 in zijn thee.

Dat gebeurde in het bijzijn van twee Russische agenten, die als hoofdverdachten zijn aangemerkt. Het heldere radioactieve spoor dat ze tussen Londen en Moskou nalieten maakte dat hoogst aannemelijk. Moskou heeft het Britse onderzoek sindsdien op alle manieren tegengewerkt en de twee – die volhouden dat Litvinenko juist hen probeerde te vermoorden – zelfs beloond.

Het officiële onderzoek naar de moord is nu afgesloten. Volgens het rapport van de Britse oud-rechter Sir Robert Owen is het nu „zeker” dat de twee Litvinenko hebben vermoord. Het is ook „zeker” dat ze „handelden in opdracht van anderen”: de top van de Russische geheime dienst en „waarschijnlijk” van president Poetin persoonlijk. Daarvoor is „sterk indirect bewijs”, aldus Owen.

Litvinenko gold als verrader omdat hij samenwerkte met de Britse geheime dienst. Zijn herhaalde kritiek was dat het Kremlin corrupt was en dat Poetin een verleden had als pedofiel, reden voor diens aanvankelijk trage promotie. Wraak als motief, dus. Moskou had ook de middelen: alleen de staat bezit polonium-210.

Moskou wees het rapport als bespottelijk van de hand en beschuldigde de Britten ervan een „puur criminele zaak” politiek te maken. Na deze koelbloedige moord en tien jaar obstructie moet eerder het omgekeerde worden vastgesteld: politiek heeft in Rusland een criminele dimensie gekregen; het recht wijkt er voor andere belangen.

Rusland zal in de zaak Litvinenko geen concessies doen. Zoals het evenmin bereid is zijn rol bij het neerschieten van MH17 toe te lichten. Dit is weliswaar een land dat een rechtsstaat pretendeert te zijn onwaardig, maar iets anders hopen is naïef. Maskirovka, de kunst van het liegen en bedriegen, hoort er vanouds bij het krijgsbedrijf. De inval op de Krim getuigde er opnieuw van. In de politiek is het niet anders.

De betrekkingen met het Westen bevinden zich sindsdien op een dieptepunt. Maar premier Cameron gaf blijk van realiteitszin toen hij zei dat er geen alternatief is voor het onderhouden van „iets van een relatie” met Rusland. Al was het alleen omdat het zonder Rusland ondenkbaar is geworden de oorlog in Syrië te beëindigen. Het verzoenen van westerse principes met realpolitik blijft lastig. Maar het betekent evenmin dat we het cynisch moeten opgeven.