Dansers met dienstplicht

Choreograaf Itzik Galili maakt voor het eerst in twintig jaar een voorstelling. Nu in zijn geboorteland Israël. „Dansers hier hebben gotspe.” Door Francine van der Wiel

Scène uit Man of the Hour, van choreograaf Itzik Galili. Foto Oyvind Hjelmen

De telefoon pinkelt bescheiden. Appje van Itzik Galili: „Good morning dear. I’ll be in front within 5 min.” En zowaar – Galili staat niet bekend om zijn punctualiteit – na een minuut of tien haalt hij zijn vrachtje voor het hotel af, voor een lift annex interview van Tel Aviv naar Jeruzalem. Een goedmakertje, omdat een eerdere afspraak door zijn verlate komst („Sorry, opgehouden bij een road block”) niet kon doorgaan.

Het is begin december en hij beleeft hectische dagen. Galili (54), die van 1991 tot 2012 in Nederland faam verwierf als choreograaf en leider van Galili Dance/Noord Nederlandse Dans, wordt de hele week aangesproken, omhelsd en gefeliciteerd door de vele internationale festival- en dansprogrammeurs die in Tel Aviv zijn voor het jaarlijkse ‘dansplatform’, waar de Israëlische danswereld zich presenteert. Galili’s Man of the Hour, voor acht mannelijke dansers en twee operazangeressen, is de openingsvoorstelling. Voor het eerst in twintig jaar creëert hij een nieuw, avondvullend werk in zijn geboorteland. Het initiatief komt van het Holland Dance Festival, dat hem graag vaker op de Nederlandse podia ziet.

Aanstaande vrijdag, als het stuk voor het eerst in Nederland te zien is, zal het een feest der herkenning zijn. Galili’s danstaal is onveranderd krachtig-elegant, met ruim belijnde bewegingen: benen die energiek door de ruimte zwiepen, soms rakelings over andere dansers heen, armen die wijd worden uitgestrekt, hoofd achterover, diepe zwenkingen waarbij de hand nonchalant naar de vloer gaat voor steun, sensueel buigende en plooiende lijven. En alles gevat in een uitgekiend, dramatisch lichtplan, met aan het begin een oogstrelend beeld van een danser die langzaam een waaier van peerlampjes aan lange kabels naar zich toe trekt, terwijl op de achtergrond de sopraan When I am lain zingt, Dido’s klaaglied uit de opera Dido and Aeneas van Purcell. Sommige delen ogen vrij balletesk, andere zijn rauw en martiaal, zoals de openingsdans van de mannen. Tegen het einde vloeien in een prachtig mannenduet tederheid en agressie soepel in elkaar over.

Poëzie, drama, agressie, extremen, tegenstellingen tussen mannelijk en vrouwelijk, licht en donker, dynamiek en verstilling – het is vintage Galili.

Dansers met dienstplicht

Bij een hele generatie Israëlische dansers en dansliefhebbers is zijn oeuvre als gevolg van zijn lange afwezigheid echter vrijwel onbekend. Galili is in Israël vooral een naam, misschien een paar filmpjes op YouTube. Ook na zijn vertrek uit Nederland in 2012 was (nieuw) werk van Galili er nog niet te zien. Wel creëerde hij sindsdien choreografieën in Duitsland, Groot-Brittannië, Portugal, Cuba, Mexico, Brazilië en Australië.

De afgelopen vijfentwintig jaar verbleef hij wel regelmatig in Israël, waar zijn kinderen wonen. De dansscene heeft hij in die tijd eigenlijk niet gevolgd, vertelt hij. Zonder duidelijke verwachtingen stapte hij de studio in. Al snel werd het hem duidelijk dat hij de lat niet op het hoogste niveau kon leggen. „Als je in de context van een gezelschap werkt, worden zaken voor je geregeld en kun je helemaal in het werk duiken. In een ad hoc project is dat anders. Als ik hier een lampje nodig heb, moet ik dat soms zelf kopen. Zelfs studio-uren heb ik zelf geregeld. Het was helemaal terug naar af. Dat kost extra inspanning, leidt af.”

Sowieso ervaart hij al zijn choreografieën die hij maakte sinds hij geen eigen gezelschap meer heeft als oefening, niet als het beste dat hij van zichzelf kon geven. „Hier heb ik steeds tussen heden en verleden gependeld. Ik voelde dat ik niet per se origineel hoefde te zijn, maar alleen mijzelf.” Enigszins defensief voegt hij toe dat iederéén dat doet.

Man of the Hour is gebaseerd op materiaal uit eerder werk, ook al omdat de repetitieperiode (te) kort was en hij bovendien maar een deel van de dag over de acht jonge dansers kon beschikken – enkelen van hen zijn nog dienstplichtig.

De werkomstandigheden in de danssector van Israël zijn aanmerkelijk minder gunstig dan die in Nederland. Al was het alleen maar omdat Israëlische dansers zo assertief zijn. „Ik stond met acht minister-presidenten in de studio. Zo zijn de mensen hier; er wonen in dit land acht en een half miljoen regeringsleiders. Allemaal schreeuwend om aandacht, om gezien en gehoord te worden.” Hij verafschuwt en bewondert die mentaliteit, die volgens hem de kracht is van de Israëlische dans. „Dansers hier hebben gotspe, brutaal zonder beledigend te zijn. Heel direct, aanwezig.”

Heimwee naar Nederland

Het vormde het vertrekpunt voor zijn choreografie: de huidige Israëlische maatschappij als een grote verzameling men of the hour. Hij merkt het ook op de weg, waar een medeweggebruiker driftig begint te toeteren.

Natuurlijk vindt hij het bijzonder dat hij na zo lange tijd weer een première heeft in zijn land, zijn geboortestad nog wel. Maar hij voelt zich ook erg een Nederlandse choreograaf en is zeker zo blij dat hij dit nieuwe werk kan presenteren tijdens het Holland Dance Festival.

Hij heeft heimwee naar Nederland, ondanks de bitterheid die hij nog steeds voelt over de heftige conflicten en misverstanden met het bestuur van Dansgroep Amsterdam (inmiddels ter ziele) en Krisztina de Châtel, met wie hij van 2009 tot 2012 de artistieke leiding over het gezelschap voerde.

„Wat ik mis? Een bepaalde stilte, een rust. Het zou mooi zijn om weer een productie te maken in Holland. Dat heb ik wel verdiend, vind ik. Ik heb dingen veroorzaakt in Nederland.”

Een eigen, vast gezelschap zou helemaal ideaal zijn. Maakt niet uit waar, als het maar niet te ver van zijn kinderen is. Een ander Europees land is dus ook prima. Als hij deze open sollicitatie doet, rijden we al binnen de gemeentegrenzen van de heilige stad. Galili speelt zijn rol als gids en wijst op een begraafplaats, de Toren van David, de beruchte scheidingsmuur. Bij de Jaffa Poort zet hij zijn passagiers af. Vergenoegd concludeert hij: „In de auto naar Jeruzalem; dit is ongetwijfeld het gekste interview dat je ooit had.”