Bevriende prairiewoelmuizen kunnen elkaar goed troosten

Een prairiewoelmuis toont medeleven met een bekende soortgenoot die zojuist pijn heeft geleden.

De ene prairiewoelmuis troost de andere nadat die een schokje heeft gehad. Foto Zack Johnson

Prairiewoelmuizen kennen troost. Als zo’n klein knaagdier gestrest het hok binnenkomt, wordt hij uitgebreid gelikt en gevlooid door een familielid of partner. Daardoor verdwijnt de stress.

Die waarnemingen, vrijdag gepubliceerd in Science, vormen het eerste bewijs dat niet alleen intelligente dieren elkaar kunnen troosten – een vergaande blijk van medeleven. Tot nu toe was troostgedrag alleen gezien bij mensapen, olifanten, raven en roeken, en wolven en honden.

De prairiewoelmuizen (Microtus ochrogaster) zijn getest door de groep van Larry Young van Emory University (Atlanta, VS). Primatoloog Frans de Waal werkte ook mee.

Prairiewoelmuizen zijn kleine knaagdieren uit Noord-Amerika, die al decennia bestudeerd worden vanwege hun sociale gedrag. Ze leven in groepen in holen; daarbinnen hebben gezinnen een innige band. Vrouwtje en mannetje blijven een heel leven samen, hebben veel lichamelijk contact en zorgen samen voor de jongen.

Young en zijn promovendus James Burkett maakten steeds één prairiewoelmuis bang door hem lichte elektrische schokken te geven, steeds als er een toon klonk. Daarna werd de gestreste woelmuis teruggezet bij zijn vertrouwde kooigenoot. Als dat de eigen partner was of een bekende broer of zus, dan begon die de gestreste woelmuis uitgebreid te likken en te vlooien. Beide dieren waren angstig na de test – terwijl de kooigenoot het toedienen van de schokken niet had gezien of gehoord. Na het vlooien was de stress weg. Als de woelmuizen elkaar niet kenden, of als ze niets onprettigs hadden meegemaakt, werd er niet extra veel gevlooid.

Young en Burkett deden hun experimenten nogmaals, met graslandwoelmuizen (Microtus pennsylvanicus). Die leven niet intens samen, en troosten elkaar ook niet. Die paarband is cruciaal, is de conclusie.

De Waal, beroemd om zijn theorieën over de evolutie van empathie, zette in zijn boek Een tijd voor empathie (2009) uiteen dat hulp en troost intelligentie vereist. Niet alleen moet het dier voelen wat een soortgenoot voelt, het moet daar ook naar kunnen handelen. Makaken troosten zelfs hun eigen jongen niet, als die door een andere aap aangevallen zijn.

„Mensen en sommige andere dieren met grote hersenen gaan veel verder in hun empathisch vermogen dan knaagdieren”, reageert De Waal per e-mail. „Wat we bij prairiewoelmuizen zien, is emotionele aanstekelijkheid. Dat lijkt me een algemeen kenmerk van zoogdieren.” Bovendien moeten dieren een band met elkaar hebben, voegt De Waal toe.