Column

Wild volk

S. Montag

Wij Nederlanders hebben de reputatie een buitengewoon kalm volk te zijn, niet hartstochtelijk zoals de Spanjaarden, of sentimenteel en gedisciplineerd als de Duitsers, of flegmatisch als de Britten, maar: rustig aan, dan breekt het lijntje niet. Voorzichtigheid is de moeder van de porseleinkast. Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald, en haastige spoed is zelden goed. Langzaam maar zeker. Allemaal van die wijsheden die je graag wilt geloven zolang je er niet verder over hoeft na te denken. Horend tot de categorie ‘het zal wel’.

Als kleine jongen heb ik de voetbalrazernij van de jaren dertig meegemaakt. De wereldkampioenschappen. Er werd bij voorbaat een liedje over de onvermijdelijke triomf gezongen. ‘We gaan naar Rome, we gaan naar Rome. We nemen Vente en Bakhuys mee’. In Milaan werden onze jongens door Zwitserland uitgeschakeld. Hier was het alsof de nationale rouw was afgekondigd.

Ja, wat wil je, zult u zeggen. Dat was voetbal. Altijd een uitzondering. Zonder voetbal geen Nederland. Hup Holland hup! Laat de leeuw niet in zijn hempie staan! En: Hand in hand kameraden. De voetbalcompetitie is tot in de Hongerwinter doorgegaan.

Terwijl ik dit schrijf worden de laatste voorbereidingen voor de schaatsmarathon in Haaksbergen getroffen. Schaatsdeskundigen zijn in de hoogste staat van concentratie bezig met het ijs, ze sproeien er nog een beetje water op, ze boren een paar gaatjes, en ja, het is allemaal in orde.

Er verschijnen mannen van ver in de middelbare leeftijd die dierbare herinneringen aan de laatste Elfstedentocht ophalen. De ‘Tocht der tochten’. De eerste is gehouden in 1909 en tot dusver de laatste in 1997. Zullen we er nog een krijgen, of is de aarde al te ver opgewarmd? Nu zou zo’n tocht een record van nationale opwinding veroorzaken.

De Nederlanders zijn geen kalm volk. Een van de eersten die dat duidelijk onder woorden heeft gebracht is Menno ter Braak, in een journalistiek stukje, ‘Het Berner Oberland’. Ik zou er graag uit citeren maar ik kan het niet meer vinden. Dan maar uit mijn hoofd.

Daar komt een bus met Nederlandse toeristen aan. Ze stappen uit, hebben lol, geven elkaar speelse stompjes, in de achterhoede wordt gezongen. Wat? Dat kan ik me niet herinneren. Van je hela hola lijkt me niet onwaarschijnlijk. Ze worden door lachstuipen uit elkaar gedreven, schrijft Ter Braak. Een groep Nederlandse toeristen in het buitenland krijgt altijd wel een aanval van lol.

Dit speelt zich allemaal af voor de televisie het nationale medium werd. Daar kwamen de komieken. In 1937 juffrouw Snip en juffrouw Snap, in jurken geklede mannen, Piet Muijselaar en Willy Walden, die optraden in het AVRO programma De bonte Dinsdagavondtrein. Als dat begon werd het stil op straat. Snip en Snap hebben het volgehouden tot 1967. De volgende generatie komieken had zich aangediend. Maar intussen hadden zich nieuwe gewoonten in onze radio en televisie gevestigd: de quiz en het leuk uit de hoek komen. Daar zitten de kandidaten op een rijtje, worden ondervraagd door de quizmaster en geven een leuk, snedig, grappig of misschien buitengewoon stom antwoord. Het publiek komt niet meer bij.

Dit quizgedrag is tot een nationale gewoonte geworden. Zo is het met veel meer uitingen gegaan. Een taalkundig instituut zou het eens moeten nagaan. Als je een halve eeuw geleden iets mooi vond, dan zei je: Dat is mooi. Nu zeg je: Dat is heel mooi. Of: Heel erg mooi. Of: Ontzettend mooi. En als je nog geen twintig bent: Supermooi!

En tenslotte kom ik toch weer terecht bij het voetbal. Ik weet niet welke club zich daaraan schuldig heeft gemaakt maar als een bepaalde speler aan de bal was begonnen de supporters van de tegenstander oerwoudgeluiden te maken. Hoe kom je zo gek, zou je je afvragen. Doe dat niet. Dit is een nieuw tijdvak.