Voor straf naar een pleeggezin

In Amsterdam kunnen ‘kwetsbare’ criminele jongeren sinds kort hun rechtszaak afwachten in een pleeggezin in plaats van in de cel. „We waren bang dat hij meteen wilde vluchten.”

Bodil Kok enGeert Snel werden via een proefproject pleegouders van minderjarige verdachten. Onder: Despullen van hun laatste pleegzoon. Foto’s Ilvy Njiokiktjien

‘Kijk, dit is hem”, zegt Geert Snel (60) geëmotioneerd. Op de pasfoto staat een knappe Surinaamse jongen met een stralende lach. „Hij was voor mij als een zoon.” Ruim een jaar geleden – het was bijna Kerst – stapte de 16-jarige jongen uit Amsterdam Geerts huis binnen. Het enige dat hij en zijn vrouw Bodil Kok wisten, was dat de jongen werd verdacht van strafbare feiten. En dat hij voorlopig bij hen zou komen wonen.

De kinderrechter had de jongen voor de keuze gesteld: óf in voorarrest blijven in de Amsterdamse justitiële jeugdinrichting Amsterbaken, óf tijdelijk intrekken bij Geert en Bodil. Sinds eind 2014 namen in totaal acht Amsterdamse minderjarige verdachten van 12 tot en met 16 jaar deel aan het ‘proefproject forensische pleegzorg’, waarbij minderjarige verdachten drie maanden worden ondergebracht bij een pleeggezin. De selectie was streng. Betrokkenen – zoals de jeugdreclassering, de Raad voor de Kinderbescherming en jeugdzorgorganisaties – moesten het gevoel hebben dat de jongeren nog ‘te redden’ waren. Ze werden verdacht van één of meer ernstige strafbare feiten, zoals straatroof, meerdere diefstallen of mishandeling.

Het echtpaar Snel-Kok woont in een vrijstaand jarendertighuis in het Noord-Hollandse dorp Wormer. De inrichting is tijdloos – houten meubels, houten vloer, versleten maar comfortabele leren bankstellen. Op de schouw in de woonkamer staat een glossy foto van Bodil (62) met twaalf jonge kinderen. „Dat is mijn klas op een school voor speciaal basisonderwijs”, zegt ze trots.

Zelf hebben Geert en Bodil drie volwassen kinderen. „Toen die het huis uit waren, wilden wij graag pleegouders worden, liefst van moeilijke pubers”, zegt Bodil. Tijdens een cursus voor aspirant-pleegouders bij jeugdhulporganisatie Spirit zagen zij een folder liggen met het opschrift ‘Forensische pleegzorg; iets voor u?’ Geert en Bodil dachten allebei: ‘Ja, dat is echt iets voor ons.’

De 16-jarige Amsterdammer – die een lichte verstandelijke beperking heeft en ADHD – was hun allereerste pleegkind. De jongen woonde nog geen vijf minuten bij hen, of hij vroeg al of hij naar buiten mocht. „Wij waren bang dat hij meteen wilde vluchten”, zegt Bodil. „Toen hebben wij hem onze hond maar meegegeven, dan had hij tenminste een reden om bij ons terug te keren.” Na een half uur kwam hij terug. Verontwaardigd. Hij riep: „Waar is Albert Heijn? Waar is de politie? Wàt een dorp!”

Kickboksles

Ook voor Geert en Bodil was het wennen. „Eén van de eerste dagen vroeg hij aan de vriend van mijn dochter elke keer opnieuw of hij soms homo is”, zegt Geert. „Hij had flink geblowd. Toen hebben wij hem even naar zijn kamer gestuurd.”

Verrassend snel draaide hij echter op harmonieuze wijze met het gezin mee. Blowen in huis mocht hij niet meer – en daar hield hij zich aan. Elke dinsdag- en vrijdagavond ging hij mee naar kickboksles met de middelste zoon van Geert en Bodil en elke donderdag moedigde hij enthousiast het G-voetbalteam voor gehandicapte spelers in Wormer aan waarvan Geert trainer is.

Geert en Bodil vergezelden hem naar belangrijke afspraken, bijvoorbeeld twee keer naar de rechtbank. „Als hij de zaal in liep, zochten zijn ogen ons op de publieke tribune”, zegt Geert. Zijn biologische ouders waren niet aanwezig.

Het proefproject forensische pleegzorg wordt gefinancierd door het ministerie van Veiligheid en Justitie, dat op zoek is naar alternatieven voor het opsluiten van jongeren in justitiële jeugdinstellingen. Het aantal minderjarigen dat wordt opgesloten in Nederland is internationaal gezien hoog, zeker als het gaat om voorlopige hechtenis. Dit leverde ons land vorig jaar nog forse kritiek op van de Verenigde Naties en van kinderrechtenorganisatie Defence for Children.

Ellen Eltink van jeugdhulporganisatie Spirit leidt het project forensische pleegzorg. Tot voor kort werkte zij als GZ-psycholoog bij de inmiddels gesloten justitiële jeugdinrichting Amsterbaken. „Regelmatig kwamen er jongeren binnen die in onze ogen op een andere plek véél beter geholpen zouden kunnen worden”, zegt Eltink. „Kwetsbare jongens van 12 tot en met 16 jaar, met een verstandelijke beperking of een psychiatrische aandoening. Zij zijn extreem gevoelig voor de negatieve invloed van leeftijdgenoten in de gevangenis.”

Vanaf dag één na arrestatie moet volgens Eltink alles uit de kast worden gehaald om het leven van deze jongeren een andere wending te geven. Gemiddeld duurt het echter 48 dagen voordat een kinderrechter hun zaak inhoudelijk heeft bekeken. Al die tijd zitten zij vaak in voorlopige hechtenis. Eltink: „Als zij in die periode naar een pleeggezin kunnen, is dat in onze ogen pure winst.”

Normaal gezinsleven

De pleegouders wordt op het hart gedrukt ‘vooral te doen wat zij altijd doen’. Meestal zijn de jongeren afkomstig uit gebroken multiprobleemgezinnen. Een ‘normaal’ gezinsleven is voor hen vaak een geheel nieuwe ervaring. „Je wilt ze laten zien hoe het óók kan”, zegt Eltink.

Geert en Bodil gingen voor de zekerheid weer wat meer letten op rust, reinheid en regelmaat. „Sinds onze kinderen uit huis zijn, kruipen wij op vrijdagavond bijvoorbeeld wel eens om 20.00 uur knuffelend op de bank met een gebakken eitje.” Maar toen hun tijdelijke pleegzoon er was, zaten zij elke dag keurig om zes uur ’s avonds te eten aan de grote houten tafel in hun woonkeuken. „Daar genoot hij zichtbaar van”, zegt Geert. „Hij was gewend om alleen te eten als hij trek had, dan liep hij naar de koelkast.”

Een van de grote voordelen van een verblijf in een pleeggezin, is dat de ‘positieve dingen’ – zoals school, sportclub of bijbaan – gewoon kunnen doorgaan. De pleegzoon van Geert en Bodil nam elke dag de trein en de metro naar zijn school in Amsterdam, een speciale vmbo-school voor kinderen met gedragsproblemen. Goed ging het daar echter niet. Twee schoolstages mislukten, waarna hij noodgedwongen stage ging lopen bij het autoherstelbedrijf van Geert. „Dat ging eigenlijk verrassend goed”. zegt Geert, „zolang hij om het kwartier even kon gaan huppelen. Zijn spanningsboog is erg kort.”

Geert en Bodil zagen hem opbloeien. „Hij werd veel rustiger”, zegt Bodil. „Zijn eczeem werd minder heftig en hij had ook minder vaak nachtmerries.” Wilde hij aanvankelijk de hele tijd stoeien, de laatste weken was zijn favoriete bezigheid het knuffelen van rode kater Mira onder een dekentje op de bank.

Maar de verandering bleek kwetsbaar. De periode van drie maanden vinden Geert en Bodil dan ook „véél te kort”. Tijdens één van de laatste weken liep Bodil met haar pleegzoon door zijn Amsterdamse buurt om een identiteitskaart voor hem regelen. Bodil: „We stapten uit de auto en hij ging plotseling weer heel macho lopen.” Ook begon hij tot haar verbazing een monoloog die klonk als een mantra: „Dit is mijn buurt. Hier voel ik mij veilig. Hier zijn de vrienden die altijd voor mij zullen opkomen.” Uit eerdere verhalen hadden zijn pleegouders de conclusie getrokken dat deze ‘vrienden’ hem hadden verraden bij de politie. Bodil: „Maar hoe vaak ik dat ook tegen hem zei, hij bleef deze jongens blind vertrouwen.”

Verder vertrouwde hij vrijwel niemand. Op een dag kwam hij ontdaan thuis na een ruzie met de buschauffeur van Wormer. „Hij was boos geworden omdat de man hem had gevraagd waar hij moest zijn”, zegt Bodil. „Toen ik hem uitlegde dat die man hem alleen maar had willen helpen, was hij stomverbaasd.” Op zulke momenten zei hij alleen maar: ‘Oooooh’, herinnert Geert zich.

Vaak deed Bodil rollenspellen met hem in de woonkamer. Belangrijkste leerdoel: hoe ga je om met gezagsdragers? Dan speelde Bodil bijvoorbeeld een treinconducteur. En dan werd hij boos omdat zij hem om zijn ov-kaart vroeg. „Dan legde ik geduldig uit dat het mijn beroep is om te controleren of iedereen netjes heeft betaald”, zegt Bodil. „En dan zei hij: ‘Ooooooh’.”

Vertrouwen in de medemens

De forensische pleegzorg uit het proefproject is een alternatief voor voorlopige hechtenis. Al sinds 2007 bestaat in Nederland een vergelijkbaar programma als alternatief voor gevangenisstraf of gesloten jeugdzorg, Multi Treatment Foster Care. Dit programma is afkomstig uit de Verenigde Staten en wordt in Nederland uitgevoerd door het Leger des Heils. De kinderrechter bepaalt of een jongere ervoor in aanmerking komt – in de praktijk gaat het om maximaal tien jongeren per jaar die zes maanden bij een speciaal opgeleid pleeggezin wonen. Uit Amerikaanse onderzoeken blijkt dat deze vorm van opvang, die ook wordt toegepast in onder meer Zweden, Engeland en Nieuw-Zeeland, de kans dat een jongere opnieuw in aanraking komt met justitie fors vermindert.

Hoogleraar forensische orthopedagogiek Geert-Jan Stams, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, onderzoekt in opdracht van het ministerie van Veiligheid en Justitie het Amsterdamse experiment. Veel ontspoorde minderjarigen hebben het gevoel dat de wereld tegen hen is, zegt hij. Ze doen hem altijd denken aan een typetje van televisiemaker Wim de Bie, dat erop los slaat als iemand hem net iets te lang aankijkt. „De oorzaak ligt vaak in een geschiedenis van verwaarlozing en misbruik.” Het ultieme doel van een verblijf in een speciaal geselecteerd, warm en betrokken pleeggezin is volgens Stams dat het vertrouwen in de medemens wordt hersteld. „En dat is cruciaal, want zonder dat vertrouwen is elke behandeling gedoemd te mislukken.”

De resultaten van een tussentijdse evaluatie van de eerste acht plaatsingen stemmen Stams „gematigd positief”. Vier jongens zijn alsnog in voorarrest geplaatst, onder andere omdat zij zich niet aan de regels hielden. „Achteraf gezien blijken dit de jongens te zijn die niet echt gemotiveerd waren om bij een pleeggezin te gaan wonen”, zegt Eltink. „Daar hebben wij van geleerd dat jongeren zelf ook op zijn minst een klein beetje het gevoel moeten hebben dat het goed voor ze is, en niet alleen de betrokkenen om hen heen.”

Het leven van de overige vier jongeren – die wel succesvol bij een pleeggezin hebben gewoond – blijkt gestabiliseerd. „Dat vind ik bijzonder”, zegt Stams. „Want bij hen ging het al tijden van kwaad tot erger en stapelden de problemen zich thuis, op school en in de vrije tijd in hoog tempo op.” Bij twee jongeren, onder wie de pleegzoon van Geert en Bodil, ziet Stams de gehoopte vooruitgang op sociaal gebied. De gemeente Amsterdam heeft besloten dit jaar een verlenging (met tien plaatsingen) van het experiment te financieren.

Of forensische pleegzorg landelijk zal worden ingevoerd als standaardalternatief voor voorarrest in een huis van bewaring, hangt volgens Stams voor een groot deel af van het politieke klimaat. „Op dit moment bestaat in Nederland gelukkig de tendens om minder kinderen op te sluiten, uit respect voor de kinderrechten. Steeds meer jeugdgevangenissen worden gesloten.”

Maar de publieke opinie kan het tij laten keren, vreest Stams. „Een groot deel van de de samenleving wil vergelding, dus straf”, zegt Stams. „Bovendien raakt het grote publiek pas enthousiast van spectaculaire resultaten, zoals een daling van de recidivecijfers met 30 à 40 procent. Terwijl wij al heel blij zijn met een daling van 2 à 3 procent. Vergelijk het met een ongeneeslijke ziekte, als je die hebt ben je ook blij met kleine successen.”

De pleegzoon van Geert en Bodil – die om medewerking aan dit artikel is gevraagd maar ervan afzag – is twee keer van school gewisseld en woont inmiddels weer thuis bij zijn moeder. Hij is veroordeeld – voor onder meer straatroof – tot honderd dagen voorwaardelijke jeugddetentie, met een proeftijd van twee jaar. „De rechter heeft rekening gehouden met het goede verloop van de forensische pleegzorg, daar is in de rechtszaal heel positief over gesproken”, zegt zijn voogd en jeugdreclasseerder Kim Kruissen van de jeugdhulporganisatie William Schrikker Groep.

Binnenkort wil Geert hem nog een dagje meenemen naar Gent. „Dat heb ik beloofd.” Hij denkt nog vaak terug aan hun afscheid. Nadat de jongen Geert meerdere keren had bezworen dat hij géén knuffel zou krijgen – „Ik ben geen homo” – was hij vertrokken. „Maar toen kwam hij terug en vloog hij me om de hals”, zegt Geert. „De tranen stonden in zijn ogen.” Zelf kreeg hij het ook te kwaad. „Ik was verdrietig, maar ook blij. Blijkbaar had ik ergens toch iets goed gedaan.”