Schaker van nu is saai. Waar zijn de excentriekelingen van weleer?

De grootmeesters van weleer waren excentrieke bollebozen, wars van sociale etiquette en maatschappelijke conventies – zowel op als naast het schaakbord. De huidige schakers zijn normale knullen, zonder dwarse statements. Het topschaak infantiliseert, constateert Mohammed Benzakour.

'Tal, de Letse duivelskunstenaar, die tijdens elk potje meer sigaretten pafte dan het aantal stukken'

God schonk aan de Arabier de Koran en de Arabier schonk de wereld het schaak. De Perzen zullen ongetwijfeld protesteren en zeggen dat schaakmat afgeleid is van hun ‘Sjah mat’ (de sjah is dood). Maar dat de schaakwereld nog altijd spreekt over ‘rook’ (van het Arabische ‘rukh’ = toren), kunnen de Perzen niet ontkennen.

Arabier of Pers, het schaakspel blijft een wonderlijke uitvinding. Het vergt abnormale en zelfs zekere artistieke capaciteiten van de bovenkamer. Niet gek dat ‘n paar jaar terug (had eerder gemoeten) de Nederlandse Schaakbond opriep om het schaakspel niet langer te bespreken op de sportpagina maar in het kunstkatern. Een interessant pleidooi dat helaas in de krantenbak oploste.

Schaak is een uitzonderlijk spel. Daarom hebben uitzonderlijke grootmeesters – anders dan bijvoorbeeld voetbalvedettes – in hun hele manifestatie iets uitzonderlijks. Geeft balmagiër Messi een interview, dan verwacht ik niks bijzonders. Zijn toverkunsten beperken zich tot strikt binnen de lijnen, en dat is mooi genoeg.

Maar voetbal is geen schaak. Van een uitzonderlijke grootmeester mag je ook als persoon iets uitzonderlijks verwachten. De bekoorlijkheid van de zuiver meetkundige patronen van 64 velden, de betovering van de edele maat; in het schaakbrein openbaart zich de fantastische, woeste, geheimzinnige geest. Die geest draagt de schaker altijd met zich mee, ook buiten de speelzaal. Geen toeval dat veel oude schaakiconen excentrieke bollebozen waren die zich weinig aantrokken van sociale etiquette en maatschappelijke conventies. De conventie is de jas van de middelmaat en die past een genie domweg niet.

Denk aan Tal, de Letse duivelskunstenaar, die tijdens elk potje meer sigaretten pafte dan het aantal stukken. Hij zei eens dat die rookslierten zijn lijntjes waren met de demonen. Denk aan Morphy, de even romantische als legendarische grondlegger van het moderne schaak, briljant advocaat die in oude vodden rondliep en in zichzelf praatte; zijn leven eindigde in een zenuwinrichting. Denk aan Fischer, die niet alleen alle toppers van zijn tijd tot wanhoop dreef, maar ook alle organisatoren door tijdens toernooien eisen te stellen die toen voor dwaas doorgingen maar nu gemeengoed zijn. En Kasparov, het Russische enfant terrible, eerst in oorlog met de Wereldschaakbond en later met Poetin en het hele Kremlin. En wie herinnert zich nog Capablanca, de diplomaat dandy van Cuba, die hele passages van Dante uit ‘t hoofd citeerde. Of Lasker, de mystiek-mathematische psycholoog, voor wie schaken geen strijd was tussen wit en zwart, maar tussen twee hoofden, twee zielen, twee harten. Of de onstuimige avonturier Marshall, die nooit wilde accepteren dat een remise waardevoller is dan een nederlaag; winst of verlies, er moest bloed vloeien – en daarna whisky.

Maar waar moeten we het nu mee doen? De huidige top luistert naar namen als Carlsen (de nummer 1), Caruana, Karjakin, So, Ding, Navara, Aronian, Wei, Nakamura, en ‘onze Neerlandse trots’ (of moet ik zeggen: onze Russisch-Nepalese trots met Nederlands paspoort?): Anish Giri. Zeker, stuk voor stuk briljante schakers, maar: jonge, aardige knullen. En dat is precies het probleem: brave Hendrikjes. Knullen die de hele dag doorbrengen achter hun Fritz-schaakcomputer en die op elkaars verjaarspartijtjes filmpjes kijken en limonade met prik drinken. Een dwars statement, een ontregelend tv-optreden, een eigenzinnige voorliefde, zich druk makend over vluchtelingen en gestrande potvissen – het zit er allemaal niet in.

Neem nou Magnus Carlsen, de ‘Mozart of chess’ wordt-ie genoemd. Op z’n twaalfde al grootmeester en na Kasparov de jongste wereldkampioen ooit. Natuurlijk, zijn spel is geniaal, zijn combinaties verbluffend, zijn inzicht griezelig. Demonstreerde vorig jaar in Wenen iets ongekends: won in twaalf minuten geblinddoekt simultaan van vijf sterke tegenstanders. En zette het jaar ervoor smartboy Bill Gates te kijk door hem in zeven zetten te matten.

De pers zegt dat hij de sport weer ‘hip & sexy’ maakt. Dat zal best. Hij heeft een sixpack, leuk bekkie en dito kapsel. Hij poseert in verleidelijke spijkerhemden van G-Star RAW en verzorgt tussendoor de seizoensaftrap bij Real Madrid.

Maar wat is er werkelijk spannend aan de jongen? Een keurig leventje met papa en mama. Z’n interviews, hoe sympathiek ook, zijn nietszeggend. Nergens een kwinkslag of intellectuele spitsvondigheid, nergens iets geks of dwars, laat staan een diepe gedachte over leven en dood. Misschien komt dat omdat hij nog jong is. Misschien omdat hij onder de plak van z’n vader zit die hem streng bewaakt; hij mag, beweren tongen, geen meisje hebben.

De infantilisering van het topschaak? Misschien is dit wat kras uitgedrukt, maar dat de huidige schaakgeest er andere normen op nahoudt, staat vast. Ook media doen eraan mee. Toen recentelijk de film Pawn Sacrifice uitkwam (over het onbesuisde levensverhaal van Bobby Fischer) kreeg DWDD het goede idee om daar aandacht aan te besteden. Je verwacht dan aan tafel Jan Timman, of Hans Böhm, of misschien wel Hans Ree; interessante oude meesters die zich mooie anekdotes herinneren over het schaakicoon. Maar wie mocht aanschuiven? Nick van Nick & Simon, een liedjesmaker.

Terwijl u dit leest is het beroemde Tata Steel Chess Tournament in volle gang. De halve wereldtop loopt rond in Wijk aan Zee, waaronder Carlsen en onze trots Anish, de grootste sinds Max Euwe en Jan Timman. Natuurlijk volg ik het toernooi op de voet, natuurlijk ga ik kijken naar onze Anish. Maar ik ben bang dat ik tijdens de interviews en persconferenties regelmatig in weemoed zal wegdoezelen. Marcel Duchamp zei eens: „Niet alle kunstenaars zijn schakers, maar alle schakers zijn kunstenaars.” Ik wou dat Duchamp gelijk had. Maar misschien ben ik een hopeloze romanticus.