Op het land werd het leven kapot gestraald, in zee stikte het – wel 6 keer

Vergeet de dino’s. De dieren van Pangea, dat zijn pas stakkers. De zeelelies, de conodonten, de crurotarsiërs, de dinocephaliërs, de pareiasauriërs. Het ging ze miljoenen jaren lang voor de wind, deze vreemde wezens. Maar ze leefden in de verkeerde tijd, op het verkeerde continent: Pangea.

Ze stierven uit in golven. In het Perm en Trias (tussen 260 en 180 miljoen jaar geleden) werd de aarde getroffen door zes vulkaanrampen. Dieren, planten en plankton stierven massaal uit. Nauwelijks bekomen van de ene catastrofe, kregen ze volgende alweer te verstouwen. Op het dieptepunt van de rampenreeks ging het leven op aarde bijna kopje onder: negentig procent van alle soorten in zee en op land stierven uit. Daarbij vergeleken is het uitsterven van de dinosauriërs, 65 miljoen jaar geleden, maar een akkefietje.

The Worst of Times van Paul Wignall gaat over de hachelijke Perm- en Triastijd. Wignall is geoloog bij de University of Leeds en doet al twintig jaar onderzoek naar de omvang en oorzaken van massa-extincties. Wignall loopt in zijn boek de zes extincties uit het Perm en Trias één voor één na. Dat is overzichtelijk, maar ook wat schools.

Wignall maakt overtuigend duidelijk dat elke uitstervingsgolf gepaard ging met een episode van intens vulkanisme. Het ontstaan van trapvormige basaltformaties in Siberië valt bijvoorbeeld samen met de grootste extinctie, 251 miljoen jaar geleden. De basalttrappen zijn de overblijfselen van lavastromen die als dikke stroop over het landschap rolden.

De hoeveelheid magma die in Siberië naar boven kwam is onvoorstelbaar. Wignall schat dat het om duizenden kubieke kilometers magma gaat. Bij de uitbarsting van de Tambora, de grootste vulkaanuitbarsting het afgelopen millennium, kwam ‘maar’ dertig kubieke kilometer magma vrij.

Bij een eruptie van die omvang kwamen enorme hoeveelheden koolstofdioxide en waterstofchloride vrij. Het koolstofdioxide warmde de aarde en oceanen op, het waterstofchloride verwoestte de ozonlaag. Op het land werd het leven kapotgestraald, in zee stikte het. Zes keer, in 80 miljoen jaar.

Het vreemde is: ook ná 180 miljoen jaar geleden kwamen zulke massa-uitbarstingen voor. Die waren lang niet zo destructief. Hoe kan dat?

Pas in het laatste hoofdstuk legt Wignall dat uit. De massa-extincties gebeurden in een tijd dat alle continenten verenigd waren in het supercontinent Pangea. Een continent zo immens dat het de Noord- én Zuidpool omvatte. Zo’n supercontinent kan CO2 slecht verwerken. Doordat grote delen zo ver van zee lagen, regende het nauwelijks op Pangea. Daardoor reageerden minder gesteenten met het CO2 dat in regenwater is opgelost. Daar komt bij dat één supercontinent minder ondiepe zeeën heeft dan vele kleintjes: het plankton in ondiepe zeeën vangt veel CO2 weg.

Pas toen de continenten weer uit elkaar dreven, vanaf 160 miljoen jaar geleden, kreeg het klimaat niet meer de kans om zo op hol te slaan zoals het deed in het Perm en Trias. Een aarde met gespreide continenten is in evenwicht, een aarde met één continent is een tijdbom. Dat wil niet zeggen dat uitbarstingen na de tijd van Pangea geen effect hadden, maar de gevolgen waren lang niet zo extreem meer.

Wignalls prachtige uitsterf-overzicht is daarmee opsteker en waarschuwing ineen. Want ja, de huidige aarde kan beter tegen een stootje dan toen. Aan de andere kant leren de Perm-extincties dat een opwarmende aarde altijd hand in hand gaat met uitsterven. Als dat niet meteen gebeurt, dan wel over een paar duizend jaar. Moeten we ons daar zorgen over maken? Daarop heeft ook Wignall geen antwoord.