Column

Onrust op de beurzen verraadt reeks van onzekere diagnoses

Nerveus is zacht uitgedrukt, voor de stemming die de afgelopen weken heerst op de internationale financiële markten. De olieprijs zakte in een soms verbazingwekkend tempo tot onder de 30 dollar per vat naar het niveau van twaalf jaar geleden.

Hoewel zich aan het eind van de week een stabilisatie leek af te tekenen, hebben de aandelenbeurzen het slechtste begin van een nieuw jaar ooit achter de rug.

Pas toen president van de Europese Centrale Bank Mario Draghi donderdag hintte op nóg meer monetaire stimulering, en topman Khalid al-Falih van de Saoedische staatoliemaatschappij Saudi Aramco de extreem lage olieprijs ‘irrationeel’ noemde, keerde het tij. Maar niet nadat er forse klappen vielen op de beurzen, waar bijvoorbeeld de AEX-index onder de 400 punten daalde.

De diagnose van wat er op de markten gebeurt blijkt uitermate lastig. Er is onzekerheid over de dreigende desintegratie van de EU, met in de hoofdrol de vluchtelingencrisis, het wankelende Schengen, de opkomst van politieke bewegingen aan de uiteinden van het politieke spectrum en de kans op een Brits vertrek.

Verder zorgen ook de Amerikaanse voorverkiezingen voor nervositeit, nu de kandidatuur van Donald Trump bij de Republikeinen en Bernard Sanders bij de Democraten niet langer ondenkbaar is.

De sterk gedaalde prijs van ruwe olie, die schudt de wereldeconomie gevaarlijk op. Overproductie én tegenvallende vraag hebben tot de adembenemende prijsval geleid. En dan is er kapitaalvlucht uit de opkomende markten, waar veel landen lijden onder de sterk gedaalde prijs van grondstoffen, waaronder olie. Het vooruitzicht van een hogere rente in de Verenigde Staten zuigt het snelle geld dat na de kredietcrisis (2008) naar deze landen vloeide, nu even hard weer terug. Dat er in veel opkomende landen uitbundig in dollars is geleend, compliceert de zaak: de gestegen dollarkoers maakt het aflossen extra lastig.

Er is één aspect van de huidige nervositeit dat echter domineert, en dat zijn de vooruitzichten voor China. De overgang van een industriële economie naar een diensteneconomie, met een grotere rol voor de consument en de binnenlandse bestedingen is toe te juichen.

Maar er rijst twijfel of de Chinese economie daar nu sterk genoeg voor is, en of de autoriteiten in staat zijn die overgang te bewerkstelligen. Met name de hardhandige, onvoorspelbare en soms onhandige ingrepen op de Chinese beurzen en rond de koers van de Chinese munt hebben het geloof in de competentie van de autoriteiten aangetast. De kapitaalvlucht uit China bedroeg vorig jaar naar schatting 676 miljard dollar, een formidabel bedrag dat zorgen baart. China is groot genoeg om een schok door de wereldeconomie te jagen.

Wat moet het antwoord zijn op zoveel onzekerheid? Dat is pas duidelijk als de diagnose helder genoeg is. Crises als deze kunnen zichzelf oplossen. De Azië-crisis van 1997-1998 ging, na aanvankelijke schrik, goeddeels aan het Westen voorbij.

De munitie van de centrale banken, zoals een verlaging van de rente, is dikwijls een redding onder dit soort omstandigheden. Maar met de ultralage rente is de kracht hiervan grotendeels verschrompeld. Internationale beleidscoördinatie, openheid en samenwerking zijn voor economische en financiële beleidsmakers – en zeker die uit China – essentieel. Dat 2016 een lastig en onvoorspelbaar jaar zou worden, was al meer dan duidelijk. Het is nu zaak het niet uit de hand te laten lopen.