Omlegging

Elke zaterdag schrijft Georgina Verbaan op deze plek een column.

Ik dacht aan de sms van een vriend terwijl ik een steeds zwaarder wordende druppel snot, die vervaarlijk onderaan mijn neus bungelde, terug naar binnen snoof. Met een knaloranje rugzak op (ik heb ook een mooie rugzak maar daar heeft de kat op gepist) en een rolkoffer in de hand stond ik op station Dampoort te Gent. Daar was ik net aangekomen, omdat ik een weekend zonder Die Korte (vijf jaren oud, twee turven hoog, zelfde snottebel) was en ik er weinig voor voelde om dat weekend achter mijn computer door te brengen, kijkend naar mensen die ‘leuke dingen’ doen. Samen.

Mijn onvermogen een sociaal netwerk op te bouwen, laat staan onderhouden, mag niet in de weg staan van ‘leuke dingen’. Dus liep ik op een zaterdagmiddag met frisse moed door Gent. Nu zijn er veel rare dingen die ik achteraf best kan aanraden, zoals jezelf een brazilian geven met harsstrips die eigenlijk voor benen bedoeld zijn, maar een weekend alleen naar Gent; Nee. Dat niet.

Rondkijkend kreeg het woord uitgestorven steeds rapper zijn volle gewicht. Mijn hoofd kantelde ervan naar rechts en ik vertraagde mijn pas terwijl ik me afvroeg of het misschien echt waar kon zijn dat iedereen die hier ooit leefde zojuist overleden was. De lucht was asgrijs met saaie slierten, blah. Ik snoof de druppel terug. Een pijlvormig bord met daarop het woord OMLEGGING wees naar links. Aha. Met Google maps zocht ik de B&B waar ik zou verblijven. Bij de huizen waar geen rolluiken voor zaten keek ik naar binnen. Bekruimelde borden, verlaten speelgoed. Tekenen van leven.

Plots begon ik zo hier en daar daadwerkelijk mensen te zien. De B&B kraakte en deed grimmig aan, maar wat zou dat, dacht ik. Ik ging toch een hapje eten en naar de opera. Maar omdat ik de weg kwijtraakte zat ik uiteindelijk met een lege maag in de prachtige zaal een glas champagne naar binnen te gieten.

In een kleine loge met drie stoelen had ik plaats genomen achter een verliefd stel. Tussen haar uitbundige haardos en zijn glimmende hoofd door zag ik zo hier en daar Mimi en Rodolfo of de boventitels, maar nooit beide tegelijk. En ondanks het gerinkel van de plastic juwelen voor mij en het snot dat mijn rechter gehoorgang blokkeerde hoorde ik Mimi toch heel duidelijk „Soli d'inverno è cosa da morire!” zingen. Vrij vertaald ‘alleen zijn in de winter is een dodelijk iets.’

Op zondag was bijna alles dicht. Gelukkig was er de zon die bescheen wat oud, leeg en verlaten was. Ik dronk troebele wijn gelijk mijn gemoed en keek naar die stomme maan die altijd maar wat rondhangt in wat allang geschiedenis is. „Geniet daar”, had de vriend ge-sms’t toen ik nog in de trein zat „Ik hoop dat je je niet alleen voelt.” Ik had geantwoord: „Nee joh! Ga naar Puccini. En Gent is echt een prachtige stad!”