Luit spelende detective in de oude muziek

Musicoloog Louis Peter Grijp (1954-2016) gaf oude, miskende Nederlandse muziek een nieuw leven, door zijn werk als onderzoeker en met zijn spel als muzikant.

Louis Peter Grijp ontdekte de originele muziek bij een beroemde rei uit Vondels Gysbrecht van Aemstel.

De professor ging ’s avonds nogal eens het land in om daar de luit en de citer te bespelen bij zijn clubje, dat liedjes uit de middeleeuwen en de Gouden Eeuw ten gehore bracht. Liederen van boeren en vissers over lief en leed, over vreugde en godsvertrouwen. Maar ook van elitaire stadse burgers die zelf hun hoofse teksten schreven en zongen, vaak op buitenlandse melodieën. Overdag vond hij met de computer uit welke teksten bij welke noten pasten. Zo ontdekte hij de originele muziek bij de beroemde rei ‘Waer werd oprechter trouw’ uit Vondels Gysbrecht van Aemstel: een air van de Franse hofcomponist Antoine de Boësset. Op 7 december 2005 was het in NRC Handelsblad voorpaginanieuws.

Louis Peter Grijp, die 9 januari op 61-jarige leeftijd overleed aan een hersentumor, was sinds 2001 aan de Universiteit Utrecht bijzonder hoogleraar Nederlandse liedcultuur, sinds 2011 gewoon hoogleraar. Hij was ook onderzoeker bij het Amsterdamse Meertens Instituut. Daar bracht hij, voortbouwend op decennia verzamelwerk, de Nederlandse Liederenbank bijeen. Een collectie van zo’n 170.000 liederen, alle mogelijke soorten, uit de periode 1200-2000 – sinds 2014 via internet te raadplegen.

De oude liederen variëren van godvruchtig en braaf tot schalks en schunnig: ‘Johannatje heeft in bedt gekackt’ en ‘Francijntje heeft een poep gelost’. Schaterend van plezier in het doodse kantoorgebouw aan de rand van de stad, haalde Grijp de antieke vieze liedjes op het beeldscherm tevoorschijn. Ze werden rond 1700 gezongen op chique Franse balletmuziek van Pierre Gaultier. „Lokale toe-eigening van internationale populaire cultuur!”, verklaarde hij vervolgens op professorale toon. „Alleen de complete teksten zoeken we nog.”

Louis Grijp was een fameus onderzoeker. Het overgrote deel van de Nederlandstalige liedteksten werd gezongen ‘op de wijs van’, in ons land nog steeds gebruikelijk bij bruiloften en partijen. Grijp zette bij het Meertens Instituut liedteksten uit liedboekjes zonder noten en bestaande melodieën met de computer tegen elkaar af. Als de versvoeten precies klopten, was duidelijk hoe die liederen hadden geklonken. Nog voor J.J. Voskuil kwam met zijn romanserie Het Bureau, had Grijp zo het daardoor veroorzaakte suffe en stoffige imago van het Meertens Instituut al illusoir gemaakt. „De Liederenbank is een enorme bron voor studies literatuur, neerlandistiek, cultuurwetenschap en etnografie”, zegt Emile Wennekes, hoogleraar muziekgeschiedenis na 1800.

Tijdens zijn musicologiestudie in Utrecht sloot Grijp zich in 1974 aan bij het gezelschap Camerata Trajectina, samen met medestudenten Jos van Veldhoven (later dirigent en artistiek leider van de Nederlandse Bachvereniging) en Jan Nuchelmans (later oprichter en artistiek leider van het Festival Oude Muziek – dat uitgroeide tot het grootste ter wereld). Ze wilden de historische Nederlandse muziek laten herleven. Om zelf op niveau mee te spelen studeerde Grijp gitaar en luit aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. In 1982 haalde hij het diploma uitvoerend musicus luit.

Al was in de jaren 70 ‘oude muziek’ nog een dor begrip, deze studenten musicologie waren kort na het ‘revolutiejaar’ 1968 wel degelijk eigentijds bezig. Hun zelf gespeelde en gezongen pleidooi voor het miskende Nederlandse muzikale verleden en destijds geminachte muziekgenres als volksliedjes, ging rechtstreeks in tegen de gevestigde orde in de muziek. Fluitist Frans Brüggen had daarvoor, samen met klavecinist Gustav Leonhardt en cellist Anner Bijlsma al de ideologische basis gelegd: terug naar het origineel, studie van manuscripten en spelen op oude instrumenten.

Camerata Trajectina gaf in veertig jaar 868 concerten en voorstellingen en produceerde 39 lp’s en cd’s, telde Jolande van der Klis in 2014 in het jubileumboek Van Peeckelharing tot Pierlala. Grijp herontdekte volksmuziek en maakte Sweelinck, Obrecht, Constantijn Huygens en de rederijkers van de Muiderkring van P.C. Hooft hoorbaar: ‘Oren aan Hooft’. Hij bracht ook moderne premières van muziektheaterstukken uit het eind van de 17de eeuw, zoals De Triomferende min van Carolus Hacquart en Dirk Buysero, en Bacchus, Ceres, Venus van Johan Schenck en Govert Bidloo – ‘een opera van zuipen, zwelgen, brassen’.

In zijn oratie in 2002, ‘Van Hadewych tot Hazes’, legde Grijp een verbinding tussen de middeleeuwse mystieke dichteres en de geliefde volkszanger. „Hij heeft voor een groot publiek baanbrekend werk verricht op een gebied dat voorheen vooral oubollig leek”, zegt Emile Wennekes. „De door hem teruggevonden melodieën illustreren de culturele wisselwerking met het buitenland. En hij was origineel: hij liet Gerrit Komrij teksten maken bij muziek van Jacob Obrecht.”