‘Ik heb een zwart randje’

Het liefst houdt Ans Markus al haar schilderijen zelf. Nu ze bijna zeventig is, vindt ze het tijd voor een expositie. Bij een visschotel zegt ze: „Ik hoor niet in het Stedelijk.”

Ans Markus „Vanaf mijn dertigste heb ik al mijn kleren bewaard. Ik woon niet voor niets in een pakhuis.”

De man van en achter Ans Markus doet de voordeur open van hun dubbele pakhuis op het Prinseneiland in Amsterdam. „Kom”, zegt Wybe Tuinman, en loopt met grote stappen naar de overkant van de straat. Daar, in een verbouwde timmerfabriek aan het water, is de expositieruimte van de kunstschilder. In looppas langs de schilderijen die op de grond langs de muren staan. Hij wijst naar het olieverfportret van een breed lachende koning Willem-Alexander. „Kunstenaars zijn bang om tanden te schilderen. Ans niet.” We passeren de doeken waarmee ze bekend werd; vrouwen gehuld in witte windsels. „Kijk de handen – niemand schildert die zo perfect als zij.” Vaak stond ze zelf model – „lange, benige vingers”. Vaak ook haar dochter Sigrid – „vollere vingers”. Van haar moeders oude handen – ze is 101 geworden – maakte ze een serie.

Der-tig-dui-zend bezoekers zijn er in deze galerie annex expositieruimte geweest, zegt hij. Kleine bijeenkomsten – komend weekend vijftien BN’ers die voor kankerfonds Kika met vijftien zieke kinderen komen schilderen. Maar ook hele Raden van Bestuur meren aan. Iedereen een eigen ezel en schilderen maar. Ans Markus begeleidt de sessie en na afloop krijgt iedereen zijn doek mee. „Succes verzekerd.” En voor Ans Markus zelf een uitkomst. Het houdt haar niet langer dan een paar uur van haar eigen schilderwerk. „En liever dit, dan een van haar doeken verkopen.” De afgelopen veertig jaar maakte ze negenhonderd olieverfschilderijen.

Terug naar het pakhuis. Met de lift naar de derde verdieping. Naar de leefwereld van Ans Markus (68). Atelier, open keuken, zitkamer en galerie ineen. Langs de muren, in rijen van drie, schilderijen. Een deel is ingepakt in bubbeltjesplastic. Klaar voor verzending naar Zwolle. Vandaag gaat in museum de Fundatie de tentoonstelling Als ik jou was open, met een overzicht van Ans Markus’ werk. De potloodtekeningen die ze als meisje van veertien maakte. De portretjes die ze begin jaren tachtig voor vijfentwintig gulden maakte op de braderie in Udenhout – ze was dertig, pas gescheiden en blut. Haar bronzen beelden gaan ook naar Zwolle. Niemand heeft ze nog gezien. Drie jaar geleden is ze die gaan maken. „Na de dood van mijn broer en mijn moeder wilde ik wat in handen hebben. Klei. Kneden.” En al boetserend kwamen de windsels weer terug. „Die waren allang verdwenen uit mijn werk. De windsels stonden voor veiligheid, je verstoppen, er niet mogen zijn. Door ze te schilderen had ik ze niet meer nodig.”

Allereerste olieverfdoek

Wybe verlaat geruisloos de ruimte en gaat een verdieping lager, waar het kantoor is, aan het werk. „Elke kunstenaar heeft iemand nodig die voor hem knokt. Ik heb Wybe.” Hij kocht vijfendertig jaar geleden een schilderij van haar (Vleugellam heette het), jaren later werd hij pas haar partner en „schildersknecht”. Hij adviseerde haar niet meer te signeren met AM, maar met haar naam voluit. Hij doet het zakelijke deel. Dus als een gemeentehuis een portret van Willem-Alexander wil, dan stimuleert hij haar om er nog een te maken. „Maar hij bepaalt niet wat ik maak. Nooit.” Haar felblauwe, zwart-omrande ogen kijken ineens argwanend: „Hij heeft toch niet weer over me opgeschept?” Ze onderdrukt een zucht. „Die man draagt me op handen. Maar hij overdrijft altijd zo.”

We gaan aan de keukentafel zitten. Op tafel antieke glazen en porseleinen bordjes van de Noordermarkt. Aan de muur een doek van een geblinddoekte koorddanseres balancerend op een kort eindje touw. „Ze zoekt de balans”, zegt Ans Markus ten overvloede. „Maar ze kan er zó afdonderden.” Ze had het schilderij wel tien keer kunnen verkopen. „Maar helaas, het is niet te koop.”

Het liefst houdt ze al haar schilderijen zelf; de serie Verborgen verdriet met portretten van mensen die iets vreselijks hebben meegemaakt, het 24-luik van een vrouw in alle fases en rollen van haar bestaan. Voor Ans Markus zijn het geschilderde dagboeken. „Ik heb er maanden, soms jaren aan gewerkt. Ik wil alles hier hebben, dichtbij. Dat geeft zekerheid.” Sommige doeken zo somber van onderwerp bovendien dat „geen mens ze aan de muur wil hangen”. Nee, ze is niet het vrolijkste type, zegt ze. „Ik heb een zwart randje.” Wat ze voelt, zit in haar werk. „Schilderen is als ademen.” Ze doet het elke dag, heel gedisciplineerd van een uur of acht, negen ’s ochtends tot etenstijd en daarna weer verder. Aan vakanties of weekendjes weg doet ze niet. Niet meer. Buiten haar atelier voelt ze zich gewoon niet prettig. Ze krijgt heimwee, vliegangst en ander ongemak. Heel lastig toen haar enige dochter Sigrid, nu 47, tien jaar in Kaïro ging wonen. „Mijn kind. Zo ver weg!” Inmiddels woont Sigrid weer in Amsterdam. Als duo worden ze nogal eens gefotografeerd bij modeshows en openingen, en dan lijken ze, met hun opgestoken haar, rode lippen en smokey eyes wel tweelingzusjes.

Ans Markus’ laatste expositie in Nederland is alweer een jaar of acht geleden. Dat was in Het Noordbrabants Museum, er kwamen 65.000 bezoekers. Ze vond het tijd om nog één keer een feestje te bouwen. Eind deze maand wordt ze 69. „Ik vond het leuk om 50 te worden, 60 was al minder. Maar tegen 70 worden, zie ik op. Dus nu is het moment.” Ouder worden, is vervelend. Ze heeft het aan haar moeder gezien, die ze haar laatste levensjaren elke ochtend bezocht. „Zo’n dametje dat steeds meer veertjes verloor. Tot er niks meer overbleef van de sterke vrouw die ze was.”

Oud worden in deze tijd is nóg vervelender, zegt Ans Markus. „Al die vrouwen die van alles laten prikken en recht trekken.” Het maakt haar nog onzekerder, of eigenlijk: wéér. „De onzekerheid die deep down zit, wordt gevoed. Jeetjepietje, wat moet ik nou? Ook spuiten en prikken? Nee, ik doe het niet. Ik durf het niet. Oudere vrouwen moeten zich tegenwoordig opnieuw verhouden tot ouder worden. Oud is uit.”

Zin in Ramazzotti

„Ik ben geen keukenprinses, hoor”, zegt ze. Ze zet een schotel met zalm, paling en makreel op tafel. Bakjes komkommer en kerstomaatjes erbij. „Ik zou zelf nu best zin hebben in een Ramazzotti.” Ze springt op en pakt een fles uit het vriesvak. Een Italiaans kruidenbitter, het lijkt een beetje op Jägermeister. Ze schenkt piepkleine glaasjes vol. Oei, zegt ze na een paar slokjes. „Dat komt best hard aan.” Ze eet kleine hapjes, moedigt mij aan door te eten. „Je eet niks. Je moet wel wat nemen.”

Ze heeft de directeur van de Fundatie in Zwolle zelf benaderd, zegt ze. Eerst had ze in Amsterdam „gesolliciteerd”, bij het Rijksmuseum, het Stedelijk Museum, de Hermitage. „Bij het Stedelijk had ik een heel fijn gesprek, ontwapenend.” En het bevestigde wat ze diep van binnen zelf ook wel wist. „Ik hoor niet in het Stedelijk. Dat is voor jonge avant-gardisten.” Waar hoort zij dan wel? Ze valt stil. „Jeetjepietje.” Denkt hardop na. „Ik heb altijd ergens bij willen horen.” Ze paste nooit in de wereld van academisch geschoolde kunstenaars. Zij is autodidact. Ze ging met potlood tekenen omdat haar broer dat ook deed en tijdens haar eerste huwelijk volgde ze lessen anatomietekenen. Daarna was het een kwestie van uitproberen en doen. „Als ik niet was gescheiden, was ik misschien nooit gaan schilderen. Dan had ik iets met mode gedaan.” Haar eerste echtgenoot was „kleinerend en driftig”. „Alleen door te schilderen kon ik verwerken wat me was overkomen.” Haar stijl wordt door kunstkenners wel omschreven als ‘nieuw realisme’. Maar echt te plaatsen is ze niet. Misschien is ze nu, na veertig jaar onafgebroken schilderen, een stroming op zichzelf.

Grote, kleurige kralenkettingen

„Appeltaart?”, vraagt ze. „Slagroom?” Ze zoekt tussen de ingepakte schilderijen. Haalt een doos tevoorschijn. Er zitten kralenkettingen in, groot en kleurig. Erbij foto’s waarop ze de kettingen zelf draagt. Ze laat de kettingen door haar vingers glijden. „Ik vond het een tijdje heel leuk om te doen.” De kettingen gaan ook mee naar het museum. „Als je eens wist hoeveel vrouwen er destijds één van me wilden kopen...” Tevreden stopt ze ze een voor een terug in hun zakjes en sluit de doos. „Ik moet je nog wat laten zien.” In de lift dalen we af naar de eerste verdieping. Rechts: stapels dozen. Daarin zitten de kunstboeken die ze in eigen beheer uitgeeft. Links: rij na rij kledingrekken. „Vanaf mijn dertigste heb ik al mijn kleren bewaard.” Ze lacht. „Ik woon niet voor niets in een pakhuis.” In de gauwigheid zie ik merklabels van Valentino, Chanel, Dior. Daartussen hangen de jurken en jassen die ze zelf naaide. „Zou ik nou zo hamsteren omdat ik het vroeger arm had?”

We lopen door naar achteren: een muur vol schoenen. Ze kijkt ernaar en draait zich om. „Ik draag ze nooit. Ik loop elke dag in hetzelfde.” Met één hand scheert ze langs de kledingrekken. „En als ik al iets aan zou willen, kan ik het toch niet vinden.” Nou ja, troost ik, misschien kan ze iets uitbundigs aan naar de opening in de Fundatie? „Ja,” zegt ze. „Dat zou ik nou wel eens willen. Dat ik dan binnenkwam en dat de mensen zouden zeggen: daar is Ans, nú wordt het leuk.”