Iedereen krijgt betaald – behalve de kunstenaar

Grote bezuinigingen op kunst hebben er voor gezorgd dat kunstenaars niet langer een eigen inkomen kunnen verdienen. Daardoor dreigt Nederland zijn avant-garde positie te verliezen, meent Birgit Donker.

Wat kunstenaars dagelijks ondervinden, is nu geconstateerd door de Sociaal Economische Raad: de financiële positie van kunstenaars is dramatisch. De bezuinigingen hebben hun financieel toch al zwakke positie verslechterd. Het inkomen van kunstenaars daalt verder; ze hebben vaak geen arbeidsongeschiktheidsverzekering; geen pensioen. Zorgwekkend, noemde SER-voorzitter Mariëtte Hamer gisteren de uitkomsten van de ‘Verkenning arbeidsmarkt cultuursector’, uitgevoerd samen met de Raad voor Cultuur.

Behalve zorgwekkend zijn deze uitkomsten beschamend. Afgestudeerden van de bacheloropleiding autonome beeldende kunst, zo staat bijvoorbeeld in de verkenning, verdienen gemiddeld 880 euro bruto per maand. Nota bene degenen die zorgdragen voor de kunst van nu en het erfgoed van de toekomst.

Officieel heeft de SER nu bevestigd wat in de beeldende kunstwereld al duidelijk was: kunstenaars zijn de belangrijkste subsidiënt van kunst geworden. Dat dit tot nu toe maar zo weinig werd opgemerkt, komt omdat kunstenaars gepassioneerd doorwerken, ook al is dat tegen een vergoeding ver onder het minimumloon of zelfs voor niets. En als het dan echt niet meer gaat en een kunstenaar is gedwongen zijn praktijk te stoppen, hoort de rest van de wereld niet dat die atelierdeur voor de laatste keer sluit.

Het is een probleem dat ons allemaal aangaat. Nederland staat juist bekend om zijn traditie van het borgen van artistieke vrijheid en het investeren in kunst. Dat heeft fantastisch werk opgeleverd. Kijk maar naar de serie Hollandse Meesters: honderd filmportretten van hedendaagse beeldend kunstenaars door even getalenteerde regisseurs, die vandaag alle honderd te zien zijn in filmmuseum EYE. Van Henk Visch geportretteerd door Frans Weisz tot Barbara Visser door Sabina Lubbe Bakker en Niels van Koevorden. Of luister naar de composities van Simeon ten Holt, die wereldfaam verwierf met Canto Ostinato en wiens Une musique blanche gisteravond postuum voor het eerst werd uitgevoerd.

Maar Nederland dreigt nu zijn avant-garde positie te verliezen. De bezuinigingen op kunst zijn te fors geweest en dat laat zich steeds meer voelen. Het betekent nodeloze verschraling en begrenzing. Daar moet iets aan worden gedaan voor het te laat is – voor de kunstenaars én voor Nederland. SER-voorzitter Hamer constateert dat de slechte inkomenspositie van kunstenaars ook economische gevolgen heeft voor Nederland, omdat de culturele sector van invloed is op het vestigingsklimaat.

Extra zorgwekkend is dat de cijfers waar de SER zich op baseert tot en met 2013 gaan – het eerste jaar van de drastische bezuiniging van het Rijk op kunst, toen er nog wat reserves konden worden ingezet, zowel door instellingen en fondsen als door individuen die hun laatste spaargeld hadden aangesproken. De schade is de afgelopen twee jaar verder opgelopen en zal nog veel groter worden als nu niet ingegrepen wordt.

Na de plotse investeringsbereidheid vorig jaar van de politiek in twee portretten van Rembrandt en de eenmalige extra 10 miljoen die de Tweede Kamer in een verrassingsactie afgelopen december voor de kunstsector vrij maakte, zou er nu structureel extra geïnvesteerd moeten worden. Om te beginnen in een redelijk honorarium voor kunstenaars; daarover is in de beeldende kunst iedereen het eens – van Museumvereniging tot FNV Kiem.

Gezamenlijk lieten al die partijen, georganiseerd in BKNL, in 2014 een onderzoek uitvoeren, waaruit bleek dat twee derde van de kunstenaars niet wordt betaald voor hun werkzaamheden voor een expositie. Alle betrokkenen krijgen geld – van curator tot cateraar. Maar niet degene die de tentoonstelling draagt. Als er al een honorarium is, ligt dat meestal tussen de 150 en 3.500 euro. Wat is dat toch in Nederland dat het werk van kunstenaars niets mag kosten? De schrijvers en drukkers van het SER-rapport krijgen toch ook betaald? Zonder kunstenaars geen kunst.

Een vervolgonderzoek naar het honorarium vorig jaar wees uit dat alle partijen vinden dat er iets moet veranderen en dat ze behoefte hebben aan een richtlijn voor de vergoeding van het werk van kunstenaars. Zodat er een handvat is voor de afspraken hierover. Extra geld zou hierbij een wereld van verschil maken, want ook musea en presentatie-instellingen (kunsteninstellingen zonder collectie) zuchten onder de bezuinigingen. In een land als Denemarken bijvoorbeeld, bestaat een aparte subsidiebijdrage voor honoraria.

„Kabinet, kijk hier goed naar”, zei SER-voorzitter Hamer gisteren in het NOS-journaal, haar rapport in de hand. De SER heeft „een signaal” willen afgeven. Hoe goed zou het zijn als het kabinet dat signaal oppikt en geld uittrekt voor de financiële positie van de kunstenaar, om te beginnen voor het ontwikkelen en implementeren van zo’n honorariumrichtlijn. Kunstenaars, kunstwereld en daarmee wij allemaal zouden er wel bij varen.