‘Heerlijk: nee zeggen tegen de regering’

Nederland spreekt zich op 6 april uit over een EU-verdrag met Oekraïne. In 2005 was er ook een referendum, over de Europese Grondwet. Dat eindigde in een overtuigend ‘nee’. Een terugblik met de hoofdrolspelers van toen en de lessen voor nu. 

Foto Evelyne Jacq

Spijt? Nee, dat heeft Laurens Jan Brinkhorst zeker niet. Elf jaar geleden waarschuwde hij het Nederlandse volk om vooral geen ‘nee’ te stemmen bij het referendum over de Europese Grondwet. „Op den duur”, zo zei de D66-minister, „gaat in Nederland dan het licht uit en zetten we ons land op slot.” Zijn woorden werden hét symbool voor het mislukken van de Grondwetcampagne: een kabinet dat het volk een ‘ja’ door de strot dacht te kunnen duwen met onheilsprofetieën – en daar jammerlijk in faalde.

Toch staat Brinkhorst nog steeds achter zijn waarschuwing. Wat hij wilde zeggen was dit: politieke samenwerking binnen Europa is noodzakelijk. En dat is actueler dan ooit. „Toen was er nog geen spanning met Rusland, of oorlog in Syrië of Libië. De wereld zag er onschuldiger uit.”

Op 1 juni 2005 beleefde de Nederlandse politiek een primeur: een landelijk, raadplegend referendum. Kiezers konden zich uitspreken voor of tegen de Europese Grondwet, een verdrag van de Europese Unie dat een jaar eerder plechtig ondertekend was door alle regeringsleiders. De campagne liep uit op een catastrofe voor het ja-kamp. Op 1 juni, drie dagen nadat de Fransen ook een ‘non’ hadden laten horen, stemde 61,5 procent van de kiezers ‘nee’. Een groot contrast met de Tweede Kamer: daar hadden 128 van de 150 parlementariërs ‘ja’ gestemd.

Op 6 april beleeft Nederland zijn tweede referendum. GeenPeil dwong met 427.939 handtekeningen een plebisciet af over het associatieverdrag met Oekraïne. Hoe kijken de betrokkenen uit 2005 terug? En wat denken ze van het komende referendum? Vijf verklaringen waarom het een ‘nee’ werd – en de kansen voor 2016.

1. Onervarenheid

Alexander Pechtold trad eind maart 2005 aan als minister voor Bestuurlijke Vernieuwing. De D66’er werd verantwoordelijk voor de organisatie van het referendum. Wat hem meteen verbaasde, vertelt Pechtold nu, was de „ongeorganiseerde, paniekerige sfeer” die in het kabinet hing rondom de campagne. „Kregen we na de ministerraad ineens te horen: jullie moeten nog even het Plein op, folderen. Terecht dat sommige ministers zeiden: ja doei, dat doe ik niet.”

Het kabinet voelde zich ongemakkelijk in zijn dubbelrol van voorlichter én voorstander. Moest het alleen neutrale informatie brengen, of ook proberen de bevolking te overtuigen van de geneugten van de Grondwet? „We mochten van het parlement in het beginstadium geen reclame maken voor het verdrag”, zegt oud-minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot (CDA). „Er was maar een klein beetje geld beschikbaar voor de campagne.”

Pas vlak voor het referendum, met het nee-kamp op winst in de peilingen, werd zwaar geschut ingezet: flyers, spotjes, mediaoptredens, vergelijkingen met de Tweede Wereldoorlog. Maar toen was het al te laat. Bovendien wekken inderhaast flyerende bewindslieden alleen maar wrevel bij de bevolking, denkt Hans van Baalen, in 2005 buitenlandwoordvoerder van de VVD-fractie. „Dan gaan mensen juist tegenstemmen.”

Een reden voor de rommelig verlopen campagne is het feit dat dit het eerste referendum was, zeggen vrijwel alle veteranen uit 2005. In het ja-kamp realiseerde niemand zich dat een referendumcampagne iets anders is dan een verkiezingscampagne: de uitslag wordt niet in de laatste drie weken bepaald, en er zijn geen partijpolitieke meningsverschillen.

Vrijwel alle betrokkenen uit 2005 beginnen ook over het promotiemateriaal van de ja-campagne. In het bijzonder de gortdroge publieksversie van de Grondwet waarvan het kabinet 800.000 exemplaren liet verspreiden. „Het afschuwelijke boekje van Buitenlandse Zaken”, zoals Pechtold het noemt.

Wat ook niet hielp, was dat sommige voorstanders het referendum als politiek instrument maar helemaal niets vonden. VVD’er Hans van Baalen noemt het referendum – toen en nu – „een staatsrechtelijke en politieke ramp”. Het beoordelen van zoiets ingewikkelds als een Europees verdrag is een taak voor de volksvertegenwoordiging, vindt hij.

En nu? Net als in 2005 heeft het kabinet een dubbelrol. Dit zet het kabinet op achterstand, denkt voormalig ChristenUnie-leider André Rouvoet, die in 2005 campagne voerde voor een ‘nee’. „Je doet het nooit goed: als je in de overdrive gaat voor een ‘ja’, krijg je het verwijt dat je propaganda bedrijft. Weersta je die neiging, dan ben je een slappeling die zonder overtuiging campagne voert.”

En ook nu is er weer veel ongenoegen bij de voorstanders over het instrument ‘referendum’. Zo zijn VVD en CDA niet van plan de straat op te gaan voor iets waar ze niet om hebben gevraagd.

2. Geen enthousiasme

Onder aanvoering van Rouvoet, Geert Wilders en met name SP’er Harry van Bommel – die de geuzennaam ‘Dr. No’ verwierf – wisten de tegenstanders in 2005 een beeld neer te zetten van ‘superstaat’ Europa dat ons land met een megalomane Grondwet zou opslokken.

Daartegenover stelde het kabinet de kreet ‘Europa, best belangrijk’, een jaar eerder bedacht voor het EU-voorzitterschap. Die slogan tekende de houding van het ja-kamp: angstig om al te uitgesproken pro-Europees te zijn.

„Die leuze was een lachertje”, zegt Laurens Jan Brinkhorst. Hij behoorde tot de minderheid van echte eurofielen in het kabinet. Intern waarschuwde hij dat het kabinet zich meer betrokken moest tonen, maar hij kreeg geen gehoor, vertelt hij. Symbool van de halfslachtigheid onder de bewindslieden was VVD-vicepremier Gerrit Zalm, die voor de NOS-camera zei dat hij niet van folderen hield.

Ook de PvdA, de grootste oppositiepartij en evenals het kabinet voorstander van de Grondwet, bruiste niet van bezieling. „Wij zaten in de oppositie, dus we zouden inleveren door met het kabinet op te trekken”, zegt toenmalig fractievoorzitter Wouter Bos. PvdA’er Niesco Dubbelboer, destijds een van de initiatiefnemers van het referendum, wijst op de verdeelde achterban van zijn partij. „Het is lekkerder campagne voeren als je weet dat je hele achterban erachter staat, zoals bij de SP en D66.”

En nu? D66 is de enige partij in het ja-kamp die er echt zin in lijkt te hebben. De partij besteedt 50.000 euro uit de partijkas aan de campagne. „Ik heb echt het gevoel: deze campagne wordt ’m”, zegt Pechtold. „We gaan vol erin, ik heb me voorgenomen alles te gaan doen. Ik ben veel zelfverzekerder dan in 2005.”

Ook het nee-kamp heeft geen moeite zijn punt te maken. Oekraïne is corrupt, de EU ondemocratisch, we provoceren Rusland: initiatiefnemers Jan Roos en Thierry Baudet hebben een duidelijk verhaal. Daar staat nog geen begeesterd kabinetsverhaal tegenover, vinden voorstanders uit 2005. „Als je Europa retebelangrijk vindt dan moet je zeggen: Europa is retebelangrijk”, zegt Dubbelboer. „Je moet niet proberen de onzekerheid onder de bevolking te vertolken.”

3. Campagne over alles

Eén ijzeren wet bij referenda luidt: de campagne gaat niet alleen over de vraag die op het stembiljet staat. In 2005 ging dat exact zo, zeggen de voorstanders: de Grondwet was eigenlijk bijzaak. „Het ging erover dat Turkije lid zou worden, of dat er een Europees leger zou komen”, zegt Hans van Baalen. „Dat stond allemaal niet in dat verdrag, maar SP’er Van Bommel bleef het zeggen.”

Nog een constante: kiezers grijpen een referendum graag aan om een impopulair kabinet een pak op de broek te geven. In 2005 was dat Balkenende II, dat stevig sneed in de overheidsfinanciën. „Wanneer ik in ijscotenten braaf de Grondwet stond uit te leggen aan burgers, begonnen ze meteen over bezuinigingen”, zegt Ben Bot. „Ze vonden het héérlijk om ‘nee’ te kunnen zeggen tegen de regering.”

Een omslagpunt in de campagne was een interview in Het Parool met directeur Brouwer van De Nederlandsche Bank, die zei dat de gulden te goedkoop de euro was ingegaan. Het nee-kamp maakte hier handig gebruik van. Geert Wilders maakte een folder met de tekst: ‘De Brusselse bureaucraten die de euro bedachten brengen u nu: de Europese grondwet.’

En nu? Ook dit keer draait de campagne niet alleen om een verdrag: het gaat ook over uitbreiding van de EU, gebrek aan democratische besluitvorming over Europa en natuurlijk de verhoudingen met Rusland. Initiatiefnemer Jan Roos heeft zelf toegegeven dat het ze niet per se ging om dit verdrag: het was simpelweg de eerste gelegenheid voor een EU-gerelateerd referendum. Laurens Jan Brinkhorst noemt dat een ‘kwajongensstreek’.

En ook dit keer zit er een impopulair kabinet – Rutte II scoort zelfs nog lagere rapportcijfers dan Balkenende II. CDA’er Jack de Vries, in 2005 nauw betrokken bij de campagne, adviseert bewindslieden en fractievoorzitters van nu daarom weg te blijven van tv-debatten en niet te gaan flyeren. „Met de huidige sentimenten rond vluchtelingen gaat dat slecht uitpakken. De ja-campagne moet door anderen gevoerd worden.”

Niesco Dubbelboer is optimistisch over de campagne, hij verwacht een fel en inhoudelijk debat; als een van de weinige voorstanders heeft hij ook genoten van de campagne in 2005. „Er is nog nooit zo goed en inhoudelijk gediscussieerd over Europa als tijdens de Grondwetcampagne. Dat zul je nu ook zien.”

4. Versplintering

De voorstanders waren in 2005 talrijker, maar ook meer versnipperd dan de tegenstanders. Het ja-kamp strekte zich uit van GroenLinks tot de VVD. Iedere partij of organisatie had een andere reden om voor de Grondwet te zijn: de VVD vanwege de interne markt, de PvdA omdat er meer sociale rechten kwamen, GroenLinks om het milieu. „Daar snapte de kiezer niets van”, zegt Hans van Baalen. „Die dacht: als zowel de VVD als GroenLinks vóór is, dan deugt het vast niet.”

Het ja-kamp was ook nog eens intern verdeeld. Oppositieleider Wouter Bos voelde zich bijvoorbeeld niet thuis bij de methode van sommige bewindslieden: „Persoonlijk voelde ik me bijna fysiek oncomfortabel om samen met iemand als Brinkhorst op één podium het ‘ja’ te verdedigen. Die man preekte hel en verdoemenis, had geen enkele empathie voor twijfelaars of sceptici.”

Nog een zwakte: de politiek stond er vrijwel alleen voor. Er was amper steun van maatschappelijke organisaties. De werkgevers, de vakbonden, milieuorganisaties – ze waren wel voor de Grondwet, maar lieten zich nauwelijks zien. „Daar was ik wel verbaasd over”, zegt Alexander Pechtold. „Waar was de FNV? In de Grondwet stond nota bene voor het eerst een Europees stakingsrecht.”

Onder de naam Beter Europa werd wel een poging gedaan tot een maatschappelijke ja-campagne. Alleen: het gezicht daarvan was D66’er Lousewies van der Laan, die juist bekendstond als onverbeterlijke eurofiel. „We werden niet serieus genomen”, zegt PvdA’er Michiel van Hulten, die de campagne leidde.

En nu? Opnieuw is het ja-kamp veel groter dan het nee-kamp: 119 van de 150 Kamerzetels. En opnieuw lijkt de eendracht in het ja-kamp ver te zoeken. D66 gaat actief campagnevoeren, maar de andere partijen hebben het over „ingaan op uitnodigingen” en „het gesprek aangaan”. Intussen bereiden tegenstanders SP en PVV net als elf jaar geleden een harde, intensieve campagne voor.

Dit keer is er wél een brede maatschappelijke campagne – althans, de ambitie daartoe. Michiel van Hulten lanceert begin februari Stem voor Nederland, waarmee hij de „draaischijf” van de maatschappelijke en politieke voorstanders hoopt te worden. Van Hulten heeft al twee ton subsidie op zak van de Amerikaanse weldoener George Soros en de rechts-conservatieve opiniemaker Joshua Livestro wordt het verrassende gezicht van de campagne.

5. Bangmakerij

Een kaart van Europa waarop Nederland verdwenen is, met de tekst: ‘Weet waar je ja tegen zegt’. Dat was de meest succesvolle campagneposter van de SP in 2005. De socialisten deinsden er niet voor terug om de waarheid een beetje op te rekken. Het ja-kamp kon er ook wat van. Ministers dreigden met oorlog (Piet Hein Donner), economische malaise (Ben Bot) en horden asielzoekers (Rita Verdonk) bij een ‘nee’. VVD’ers uit het Europarlement maakten een campagnefilmpje met beelden van de Holocaust en Srebrenica. Boodschap: dit kan opnieuw gebeuren als u geen ‘ja’ stemt.

Halve waarheden en bangmakerij horen bij een referendum, concludeert VVD’er Hans van Baalen tot zijn grote spijt. „De gematigde krachten staan per definitie op achterstand, omdat ze geen populistische campagne kunnen voeren.” Zo ontstond in 2005 een wonderlijke dynamiek: terwijl het nee-kamp succes had met overdrijving en suggestie, ontplofte iedere poging daartoe van het ja-kamp juist in zijn gezicht.

En nu? Met het Oekraïne-referendum zal het niet anders zijn, constateert Van Baalen. „De tegenstanders kunnen ongestraft leugens verkopen, terwijl de voorstanders netjes met feiten en argumenten moeten komen”. Dat komt, zegt hij, omdat het ja-kamp “democratisch” is en het nee-kamp niet. „Als er een komma verkeerd staat in een voorlichtingsfolder, wordt de minister naar de Kamer geroepen. Als Samsom iets onwaars zegt, steigert de ledenraad van de PvdA. Maar GeenPeil heeft geen leden die zeggen: hé Jan Roos, daar ben je echt over schreef gegaan.”

Van Baalen denkt dat het „een schier onmogelijke krachttoer zal vergen” voor het ja-kamp om te winnen. Ook Rouvoet – die deze keer „sterk neigt” naar voorstemmen – denkt dat het „heel ingewikkeld” wordt om 6 april een ‘ja’ te krijgen.

Toch zijn er ook voorstanders die zeggen dat het nee-kamp veel kwetsbaarder is dan in 2005. Er ontbreken vooralsnog ‘redelijke’ tegenstemmers als Rouvoet en de – toen nog – populaire columnist Ronald Plasterk. En anders dan destijds beginnen de tegenstanders nu in de favorietenrol en niet als underdog.

Het ja-kamp beschikt bovendien over één ijzersterk argument: Vladimir Poetin. Mits het die kaart ook durft te spelen. Jack de Vries vindt in ieder geval dat de handschoen uit moet. „Campagnes moeten een sentiment raken. Mensen willen ergens tégen zijn, niet vóór”. Een slogan heeft De Vries al klaarliggen: „Zeg ‘nee’ tegen Poetin, ‘ja’ voor Nederland.”