Een dialoog voeren is niet suf

Waarom staan we na ‘Parijs’ en ‘Keulen’ zo tegenover elkaar? Frieda Mulisch en Habib Khadiri zijn vrienden, al twintig jaar lang. Hieronder doen ze een pleidooi om in gesprek te blijven. „Blijven lachen is iets anders dan wegkijken.”

Ze ontmoetten elkaar ruim twintig jaar geleden. Frieda werkte in een coffeeshop in Amsterdam, waar Habib na schooltijd kwam. Als ze niet samen rondhingen tussen de mocro’s, wandelden ze door de stad. En ze praatten en praatten. Al waren de gesprekken van toen anders dan nu. Ze waren jong, de wereld was volstrekt anders.

Samen groeiden ze naar het volwassen leven, naar het ouderschap, naar een carrière. En ze bleven groeien in hun gesprekken; zochten en zoeken elkaar heel bewust op om hun werkelijkheid te vertellen. Om gerustgesteld te worden, en om de twijfel en angsten bij de ander én bij zichzelf te relativeren. Omdat ze zichzelf soms betrappen op klinkklare onzin. Ja, zij zijn graag de middenmoot. Ze hebben elkaar nodig, als stem.

Vanavond hebben ze weer afgesproken.

Frieda, in een berichtje: „Blijf lekker thuis, het is rotweer.”

Habib: „Ik heb zin in koffie, gierige Hollander.” Smiley.

En dus komt hij, met zelfgemaakte Marokkaanse amandelkoekjes, gebaseerd op een joods recept. Zij laat een bericht op Facebook zien: een hangend varken aan een boom bij een asielzoekerscentrum. Habib typt een reactie, hij heeft nog wel een suggestie voor de actievoerders: „Moslims eten ook geen pizza. Of sushi. Of cake. En mijn vriendin mag geen bruine M&M’s.” Met de slappe lach lezen ze de reacties. Sommige zijn te stom om te geloven.

Dan laat Habib Frieda een preek zien van een Syrische imam. In de ondertitels leest ze over liefde, troost en steun. Hij wil dat zij zich realiseert dat iedere vrijdag, overal ter wereld, zulke preken worden gehouden.

Frieda: „Maar hoe kan het dat wij alleen de haat zien, al die woorden over ongelovigen, afschuw en dood?”

Habib: „Hoe kan het dat in de Nederlandse media de moslims de schuld krijgen? Wat moet ik met mijn gevoel dat ik weg wil uit Nederland? Want vooral de moslims worden getroffen.”

Frieda, verbijsterd: „Vooral de moslims? Ook in Parijs?”

Habib: „Dat waren radicalen, psychopaten! Die blazen zich op en doden onschuldige mensen. Luister Frieda, het doel van die gasten is dat de Europeanen de Europese moslims gaan haten en uitsluiten. Wat vervolgens voor nóg meer verdeling zorgt. En ze zijn goed op weg…”

Jongeren voelen zich uitgesloten en zoeken een groep om bij te horen. Habib laat filmpjes zien die worden uitgezonden op onder meer Al Jazeera: Israëlische soldaten die Palestijnse jongetjes vernederen. De tranen stromen over Frieda’s wangen.

Thuis zien die jongens niet anders dan deze beelden. En dat is precies waar Al Qaida, IS en al die andere, naamloze clubjes op uit zijn.

Habib roept gefrustreerd dat de wereldbevolking de oorzaken van oorlog kent, maar liever wegkijkt. De bevolking laat zich leiden door onderbuikgevoelens. Extremisten als Wilders, Le Pen en Filip Dewinter varen daar wel bij. Ze herhalen die onzin (‘moslims zijn slecht en daarmee basta’) in de wetenschap dat het zo voor velen bewaarheid wordt.

Je hebt maar een paar mensen nodig die voor rumoer zorgen, dat het gaat broeien. Mensen voelen zich gedwongen een kant te kiezen. En uiteindelijk barst de bom.

We moeten kunnen zeggen, schrijven en tekenen wat we willen, vinden zowel Frieda als Habib. Charlie Hebdo mag, vanzelfsprekend. Het raakte toch niet, die teksten, die tekeningen. Je bent gek als je je op de kast laat jagen door zo’n groepje provocateurs. Maar dat het Franse tijdschrift nu met een tekening komt van de kleine Aylan, het aangespoelde Syrische jongetje, waar hij als billenknijper wordt afgebeeld … Dat gaat te ver, vinden ze.

En hoe zit het met de Marokkaanse Jodenhaat? Habibs vader leerde zijn kinderen dat Joodse mensen een belangrijk onderdeel van de Marokkaanse bevolking zijn, dat de Joodse cultuur in Marokko onmisbaar is. Hij heeft thuis geleerd om, ook en vooral in deze roerige tijden, zij aan zij te staan met Joodse buren, met de Joodse gemeenschap.

Frieda vertelt over een groep Marokkanen die haar en haar lieve oude buurvrouw tegemoet kwamen. Het was al donker. De jongens gingen niet aan de kant; ze scholden hun uit voor kankerhoer. Frieda, toch niet bang aangelegd, voelde zich doodsbenauwd.

Zou ze zich ook zo voelen als een groep 17-jarige witte jongens zich zo zou gedragen? Nee, denkt ze.

Habib op zijn beurt schaamt zich rot als hij dit hoort.

Frieda: „Waarom moet jij je schamen? Ik schaam me toch ook niet?

Habib: „Jawel, het is mijn soort. Ik verafschuw het. Maar wie hoort me?

„Ik”, zegt Frieda.

„Tsja”, zegt Habib.

Na een korte stilte vraagt Frieda of Habib wil dat zijn vrouw een hoofddoek draagt. „Nee, als ze maar een lekker figuur heeft.” Ze lachen, en drinken nog een koffie.

Mensen fokken elkaar op en als je niet meepraat, ben je een sukkel, voor beide partijen. Is een dialoog voeren en verbinden (al verbind je slechts jezelf) iets sufs? Tsss. En blijven lachen is iets anders dan wegkijken.

Yalah Zied! (Kom op!)

En dus blijven ze in gesprek. Opdat ze nadenken, zien wie de ander is én wie zij zelf zijn, ook ten opzichte van die ander. En mocht het vrede worden, dan hebben ze nog veel andere onderwerpen om over te kletsen. Net als vroeger.

Dit is zomaar een doordeweekse avond in het leven van Frieda en Habib. Dankzij een innige vriendschap die ontstond, daar in een drukke straat in Amsterdam, lang, lang geleden.