Diplomatie kan niet met een app

Talloze diplomaten leidde hij op. Zelf trok hij als ambassadeur over de wereld. Nu is Flip de Heer met pensioen. Een gesprek over het vak, ‘zijn’ ministers en werken voor het Koningshuis. „Goede betrekkingen is niet hetzelfde als ware vriendschappen.”

Foto’s Anna Tärnhuvud

Het imago van Nederland in het buitenland? Hij laat een korte stilte vallen. Dan: „Laat ik het zo zeggen: wij moeten als Nederland niet te vaak met Wilders in de internationale kranten komen. Dat is helemaal niet goed voor ons. Don’t be too loud! Wij zijn tulpen, molens, klompen, Heineken, Shell, de bicycle monarchy, Wim Kok. Degelijkheid.”

Woorden uitgesproken zoals ze in zijn functie uitgesproken dienen te worden. Duidelijk, maar op niet te confronterende toon. Een diplomaat geeft nu eenmaal, zoals hij zegt, „geen aanstoot”. Volgt een uiteenzetting over wat ‘protocol’ is, dat belangrijke stuk diplomatiek gereedschap. „‘Proto’ betekent eerste, ‘kollon’ is lijm. Het gaat om een serie handelingen die als doel heeft partijen aan elkaar te laten ruiken, zonder zich ongemakkelijk te voelen.”

Welkom in de wereld van Flip de Heer, na veertig jaar sinds kort met pensioen. Wat doet een diplomaat? Hij legt contacten, houdt oren en ogen open en druppelt olie in de machine. Hoe dat gaat? Neem Japan, waar hij van 2008 tot 2012 ambassadeur was, als voorbeeld. „Japanse investeerders waren heel belangrijk voor ons. Fuji-Film in Tilburg; dat ging wel om 1.400 arbeidsplaatsen. Die wil je behouden, dus ik heb in Tokio behoorlijk vaak gegeten met de hoogste baas van Fuji-Film. En als hij naar Nederland kwam, zorgde ik dat hij goed werd ontvangen. Dat is wel lastig want daar hebben wij Nederlanders niet zo’n goed gevoel voor.”

Het eerste gesprek met De Heer vindt plaats in de zomer van vorig jaar, tijdens zijn laatste werkweken op de residentie annex ambassade in het centrum van de Zweedse hoofdstad Stockholm. Het imposante gebouw, qua architectuur geïnspireerd op het Haagse Mauritshuis, werd in 1650 gebouwd door de Nederlandse industrieel en kanonnengieter Louis de Geer. Een riante plek vol Nederlandse historie. De Heer verontschuldigt zich bij voorbaat. „Dit ben ik niet, dit is het Koninkrijk. Zoals een Britse collega zei: „If you don’t have a frontdoor, you do not exist”.

De afspraak was: een interview op zijn laatste standplaats, pas te publiceren na zijn vertrek. Besluit van de departementsleiding in Den Haag. Opdat niemand in verlegenheid kan worden gebracht. Niet dat Flip de Heer op dat punt een reputatie heeft, maar als licht excentriek staat hij wel bekend op zijn ministerie. Niet iedere BZ-ambtenaar loopt Latijnse teksten declamerend door de gangen. Iemand die zich moeilijk laat sturen, nog wel eens zijpaden wil inslaan, zijn gedachten de vrije loop laat. Het is kortom beter, zo hadden de boven hem gestelden beschikt, dat hij spreekt als ex-Buitenlandse Zaken-man. Het werden uiteindelijk twee gesprekken. Eind dat jaar volgde nog een ontmoeting met de inmiddels echt gepensioneerde De Heer in Den Haag.

Onbekend bij het grote publiek, des te bekender in eigen kringen. Talloze diplomaten in spe had hij in de jaren tachtig onder zijn hoede in het ‘klasje’, de interne opleiding waarmee voor de meesten een loopbaan bij Buitenlandse Zaken begint. De Heer was in Buitenlandse Zakentermen hun ‘berenleider’. Hij bracht ze de beginselen van de diplomatie bij. In de kern: versluieren, masseren en gladstrijken, zo leerde hij zelf als beginneling ooit van ambassadeur Dolleman.

Naast diverse functies op het ministerie in Den Haag, zat De Heer sindsdien in Hong Kong, twee keer in Peking, in Washington, Singapore, Tokio en tenslotte Stockholm. Tussendoor had hij als secretaris-generaal enkele jaren de ambtelijke leiding van het departement, en maakte hij nog een uitstapje naar het Koninklijk Huis.

Limboland

Al met al een voorbeeldige loopbaan. Terwijl hij niet was voorbestemd voor de diplomatieke dienst. Vindt hij zelf. „Kijk, als je in Den Haag woont kun je je nog wat voorstellen bij een ambassade, maar ik kom uit Limboland. Ik ben een jongen uit Geleen!”. Wel import. Zijn vader ging als ingenieur bij DSM werken. Flip de Heer vertrok er op zijn achttiende, „om er nóóit meer terug te keren”. Boven de rivieren trouwde hij „met een Groningse boerendochter”. De Heer: „Uit Zeerijp in de buurt van Loppersum. We waren niet het echtpaar waarvoor Buitenlandse Zaken het gegeven voorland was. Het was daarom ook best wel, eh… wennen.”

De Heer kwam er terecht omdat Buitenlandse Zaken destijds een van de weinige dingen was die hij met zijn studie Sinologie kon gaan doen. Een studie die alleen in Leiden te volgen was. Daar ontmoette hij de gerenommeerde diplomaat Herman van Royen, die hem adviseerde volkenrecht als bijvak te gaan doen. Het bracht hem bij het volkenrechtelijk dispuut Prof. Mr B.M. Telders. De Heer: „Dat bleek een beetje een voorportaal van Buitenlandse Zaken te zijn.”

Hong Kong was zijn eerste plaatsing: vice-consul. Daar leerde hij als jongste bediende berichten voor Den Haag secuur te formuleren. Pure noodzaak, want de secretaresse tikte het maar één keer uit. Geen mail, geen sms, geen video-conferences. „Toen ik voor de eerste keer in Peking zat, werden nog alle diplomaten uit de stad opgelijnd om naar het vliegveld te gaan als er een buitenlands staatshoofd arriveerde. Ik heb bij zo’n gelegenheid Pol Pot nog een hand gegeven, had hem om zeep kunnen brengen. Dan had ik vast de Nobelprijs voor de Vrede gekregen. Postuum natuurlijk. Keizer Bokassa, zelfde verhaal.”

Vuile handen

Omgaan met ‘verkeerde’ mensen in ‘verkeerde’ landen. „Zeker”, erkent hij, diplomatie is soms ook vuile handen maken. „Nederland houdt de doctrine van Lauterpacht, een Britse volkenrechtdeskundige aan. Die zegt dat de leider die in de hoofdstad zit en het territoir min of meer onder controle heeft, de man is met wie wij zaken doen. Het is een heel praktische benadering die niets zegt over wat wij van zo iemand vinden. Toen wij in 2001 betrekkingen aangingen met Noord Korea, was voor iedereen duidelijk wat voor regime dat was. Maar een feit is gewoon dat er Nederlanders in dat soort landen zitten. Dan heb je als Nederland een ‘loopjongen’ nodig om te praten met de lokale autoriteiten. Of die aardig zijn, doet niet ter zake. Goede betrekkingen is niet hetzelfde als ware vriendschappen.”

Zijn diplomatieke vaardigheden brachten hem in de jaren negentig bij koningin Beatrix. „Het staatshoofd wil graag de kennismaking hernieuwen”, kreeg hij in 1995 van een collega te horen. „Dat is code voor: er wordt naar je gekeken.” Hij werd zodoende voor vijf jaar door het departement uitgeleend als algemeen secretaris van koningin Beatrix en prins Claus. Geen moment spijt. „Het is wel lekker om voor iemand te werken die je nooit hoeft te vragen of ze al tijd heeft gevonden ergens naar te kijken.”

Hij beschouwde zijn detachering bij het hof als „bijna een academisch project”. „Ik was gepromoveerd op het Chinese keizerschap in de vijftiende eeuw. En het grappige is: zo functioneert het koningshuis nog steeds. ‘Sacraal’ is misschien niet het juiste woord, maar het gaat wel om van oorsprong sacrale functies. Zichtbaar en onzichtbaar. En dan de hofhouding. Zegt niet psalm 91, vers 1: ‘Wie schuilt bij de Allerhoogste God, kan rustig slapen, want de Almachtige werpt Zijn schaduw over hem’.

Ja, hij is discreet, maar er valt ook eigenlijk heel weinig over te vertellen, zegt hij. „Een héél, héél, Hollands koningshuis. What you see is what you get. Vergeleken met andere hoven is het dodelijk saai in Nederland. Niemand is ongewenst zwanger, niemand is vermoord. Er zijn geen verhalen en als ze er zouden zijn worden ze niet verteld. Geen aanstellerige toestanden. Het is misschien niet zo deftig, maar dat bespaart ons wel revoluties en onthoofdingen.”

Hoe kan hij het nu nog anders duidelijk maken? De Heer denkt even na en veert dan op: „Er is een onopgesmukt bewustzijn van wie zij zijn. Wel eens in Huis ten Bosch geweest? C’est pas Versailles, hè? De vleugels zijn één kamer diep; het centrale deel is vooral een feestzaal, tevens mausoleum voor Frederik Hendrik, verder is het heel bescheiden! Op Drakensteyn woont de prinses in een mooi huis, maar ook dat is toch geen Cape Cod?”

Toverformule

Bij hem dan ook geen twijfel dat het koningshuis nog „een hele tijd” mee kan. Geldt dit ook voor het departement van Buitenlandse Zaken? ‘Moderne diplomatie’ is tegenwoordig de toverformule. Begrippen als regiodesks, laptop-diplomaten, stakeholders, laagdrempelig, sociale media zijn gemeengoed geworden aan de Bezuidenhoutseweg. Natuurlijk moeten de nieuwe mogelijkheden benut worden, vindt hij. „Vroeger kwam de koerier één keer per week met stukken. Mind you!

Maar toch. „Er wordt voortdurende gezegd: download onze app. Maar diplomatie kan niet met een app. Een diplomatie zonder menselijk contact vind ik heel lastig. We kunnen wel van alles vinden, maar wat vindt de ander? Hoe kan ik de ander overtuigen van mijn gelijk? Die vertaalslag moet worden gemaakt in een gesprek. De posten in het buitenland zijn klein geworden, waardoor het vermogen om persoonlijke aandacht te geven ook kleiner is geworden.”

De besluiten zijn door bezuinigingen gedreven, maar leveren ze echt iets op, vraagt hij zich af. „Toen ik in Den Haag op het departement regiodirecteur Azië was had ik 34 medewerkers. Nu zijn het er 17. Maar China is niet kleiner geworden en India niet minder belangrijk. De informatie wordt daardoor algemener. Maar het gaat juist om de toegevoegde waarde.” En ‘godlof’ heeft de Tweede Kamer vorig jaar besloten een deel van de bezuinigingen terug te draaien, „want je kunt wel afslanken wat je wil, maar modernisering van diplomatie is ook niet gratis.”

Compromisfiguur

Met het beheer kreeg De Heer zelf te maken als secretaris-generaal, een functie die hij „een diffuse compromisfiguur” noemt. Het was niet zijn gelukkigste tijd. „Ik kwam in het college van secretarissen-generaal van alle departementen terecht. Een club van giganten! Dat waren mensen met duizenden medewerkers, die gaven leiding aan fabrieken. Ze deden loononderhandelingen en wisten hoe je een budget in elkaar moest draaien. Daar zat ik BZ’er letterlijk als buitenbeen bij.”

Als dit gezelschap sprak over grootse projecten om overheidsdiensten over de hele linie te standaardiseren, kwam Flip de Heer met de vergoedingen voor de crèche voor uitgezonden BZ’ers. „Ton Annink, SG van Defensie, moest een heel leger reorganiseren en dan meldde ik een probleem omdat ik de ambassade in Nicaragua moest sluiten. ‘I share your pain’, zegt zo’n man dan. Het was niet eens een dialoog tussen doven, maar twee aparte werelden.” Na twee jaar was De Heer weer vertrokken. Hij werd ambassadeur in Tokio.

„Ik heb nooit hoeven uit te leggen wie ik was, of waar ik vandaan kwam”, antwoordt hij op de vraag of Nederland in het buitenland nog wat voorstelt. „We zijn hors categorie” op het gebied van economie, de handel. Maar de buitenlandse politiek? „Die is door de samenwerking in de Europese Unie van een andere orde geworden”, zegt hij. „Vroeger was het makkelijker. Dan riep minister Hans van den Broek: ‘Wat vinden de Amerikanen’. Als die iets goed vonden, zei hij: doen! Als ze tegen waren, kwam je er niet langs. En als ze niets vonden, kon je kijken hoe ver je kwam.”

Waar kan Nederland nu nog het verschil maken? „Je kan een rol spelen, maar dan moet je goed kiezen. Prioriteiten stellen. We kunnen helpen in het tegengaan van internationale schijnconstructies, of we kunnen vanwege onze goede band met de Britten misschien één van de kiezels uit de schoen van Cameron halen.”

Het woord is gevallen. „Minister! Je zal het maar zijn. Godallemachtig! Steeds maar door die hoepels springen en op het juiste moment de juiste dingen zeggen. Die mensen moeten wel een grote ambitie bezitten en ijzeren opgewektheid hebben en ook nog eens tegen slaapgebrek kunnen. Mijn respect voor hen is groot.”

Sinds 1974 heeft De Heer er heel wat meegemaakt; als minister van Buitenlandse Zaken of als minister voor Ontwikkelingssamenwerking, dat op hetzelfde departement is ingekwartierd. Het was Max van der Stoel die hem ooit als beginnend ambtenaar beëdigde. „Uit het kabinet Den Uyl. Revolutie met Van der Stoel? Dat ging dus niet gebeuren”. Jan Pronk uit hetzelfde kabinet. „Ja, dat was een wilde man. Die was revolutionair. Hij ergerde zich aan de oude hap op het ministerie die zich met ontwikkelingshulp bezighield en stak zijn ergernis niet onder stoelen of banken. Veel later toen ik in China zat, heb ik heel leuk met hem zitten praten over wat hem nu eigenlijk bezield had.”

De van het departement afkomstige Chris van der Klaauw: „Dat was geen succes. Hij kon de stress niet aan.” Hans van den Broek: „Had een duidelijke lijn en een grote routine.” Peter Kooijmans: „Een geleerde met ervaring”. Hans van Mierlo: „Sterk door emoties gedreven. We hielden van hem. Hij deed no harm, maar was te lui. Je moet bloedijverig zijn”. Jozias van Aartsen: „Degelijk, maar Buitenlandse Zaken was niet zijn ding.” Jaap de Hoop Scheffer: „Dat was makkelijk. Die kwam van het departement . Wist waar het papier lag.” Ben Bot: „Zelfde verhaal”. Maxime Verhagen: „Opereerde als geen ander in termen van macht. Macht als middel, dat was voor ons als ambtenaren wel behoorlijk wennen.” Uri Rosenthal: „Een door en door fatsoenlijk mens, maar totaal op de verkeerde plaats, sneu voor hem, en ook voor ons.” Frans Timmermans: „Zo’n kei was natuurlijk wel smullen.”

Tenslotte Bert Koenders: „Die heeft ongelooflijk veel kennis. Sinds zijn studietijd heeft hij nooit wat anders gedaan dan buitenlandse betrekkingen. Je hoeft hem niets uit te leggen. Dat was met Frans Timmermans ook zo. Maar het gevaar is dat als je niets hoeft uit te leggen, je eigenlijk ook geen ambtenaren nodig hebt. Juist als je alles al weet is het goed als iemand zegt: het zit iets anders dan we dachten.”

Vijf maanden geleden verliet De Heer zijn ‘paleis’ in Zweden. Hij woont weer in zijn appartement met zicht op Park Clingendael. Terug onder bekenden. Schuin onder hem woont oud-minister Laurens Jan Brinkhorst, even verder zit oud-staatsraad Rein Jan Hoekstra. Alle tijd om zich op te winden over de „halve zolen van Geen Stijl en de ijdele intellectueel Thierry Baudet die met een soort studentikoze balorigheid gekoppeld aan boerse plattigheid” een referendum over het associatieverdrag met Oekraïne hebben weten af te dwingen. „Volstrekt geschift. ” Hun argumentatie zou „van overheidswege met kracht moeten worden tegengesproken”.

Want dat is hem dus wel opgevallen sinds zijn terugkeer: „Het buitenland is wel heel ver weg in het politiek-maatschappelijke discours.” En dan berustend: „BZ’ers zijn geen ouderwetse of hautaine mensen. Maar hun beroep schept automatisch afstand tot het eigen land, de eigen samenleving. Dat geeft hun optreden en oordelen onvermijdelijk iets afstandelijks.”