De jaren vijftig waren wél wild

In 1956 laat de Britse historicus Simon Hall overtuigend zien dat 1956 echt een sleuteljaar was.

Rock-’n-roll-dansen op de Dam in Amsterdam 1956. foto Kees Scherer / Maria Austria Instituut / Hollandse Hoogte

Het eerste optreden van de Rolling Stones in Nederland in 1964 is legendarisch. Al na een paar nummers moesten de Stones hun concert in het Kurhaus in Scheveningen staken, omdat het publiek met flessen gooide en het podium opkwam. Het optreden liep uit op een grote kloppartij met de politie en de halve sloop van de theaterzaal van het Kurhaus.

De Scheveningse sloopwoede wordt nu beschouwd als een van de eerste uitingen van de opstandigheid van de babyboomers. Veel minder bekend is dat acht jaar eerder Rock Around the Clock, een brave Hollywoodfilm waarin Bill Haley & His Comets optraden, al voor soortgelijke taferelen had gezorgd in Nederland. Omdat de vertoning van de film in de Verenigde Staten en Engeland gepaard was gegaan met rellen, moesten politiemannen in verschillende Nederlandse bioscopen het jonge publiek rustig houden. Dat lukte niet overal. Hier en daar danste het publiek in de gangpaden en gooide met flessen en andere voorwerpen. In Gouda werd de film daarom vertoond zonder geluid. De gemeentebesturen van Apeldoorn en Leeuwarden verboden de vertoning zelfs helemaal. In Apeldoorn werkte dit averechts. Een demonstratie van honderden jongeren tegen het verbod liep uit op het ingooien van de ruiten van het politiebureau en charges van de politie. Tientallen Apeldoornse rock-’n-roll-liefhebbers werden opgepakt.

In 1956. De wereld in opstand wijdt de Britse historicus Simon Hall het enige hoofdstuk over cultuur aan de doorbraak van de rock-’n-roll in de Verenigde Staten en West-Europa. Het begint met een beschrijving van een optreden van Fats Domino in het Californische San José op 7 juli 1956 dat ontaardde in een massale knokpartij. „Iedereen viel elkaar aan”, laat hij de eigenaar van de concertzaal zeggen. „Jongens vochten met jongens en zelfs met meisjes. Meisjes sloegen jongens en krabden elkaar.” Ook de rellen in Groot-Brittannië rondom Rock Around the Clock behandelt hij – die in Nederland laat hij ongenoemd.

Iedereen dacht dat de 50’s suf waren

Het jaar 1956 is tot nu toe stiefmoederlijk behandeld, stelt Hall vast in de inleiding van 1956. Terwijl 1968 algemeen geldt als het jaar van de ‘internationale revolte’, is 1956 een jaar dat historici hebben vergeten. Dit collectieve geheugenverlies is „typerend voor het wijdverbreide beeld van de jaren vijftig van de vorige eeuw als een saaie en bleke periode, waarin het naoorlogse West-Europa vooral bezig was met de wederopbouw [...] en in de Verenigde Staten iedereen geheel in de greep was van een verstikkend conformisme.”

Met 1956 wil Hall laten zien dat 1956 evenzeer een jaar van beslissende politieke, sociale en culturele veranderingen was. Dit doet hij door twee verschijnselen uitvoerig te behandelen: de burgerrechtenbeweging van Martin Luther King in de VS en de opstanden in Hongarije en Polen tegen de communistische marionettenregimes van de Sovjet-Unie. Daarnaast wijdt hij hoofdstukken aan het begin van de vuile onafhankelijkheidsoorlog in Algerije, de strijd tegen de apartheid in Zuid-Afrika, de landing van Britse en Franse troepen in Egypte om het Suezkanaal in handen te krijgen en de zeetocht van Fidel Castro en andere opstandelingen van Mexico naar Cuba.

Hall heeft van 1956 een mozaïekboek gemaakt. De beschrijvingen van de gebeurtenissen in 1956 in het zuiden van de VS en Oost-Europa worden onderbroken door de andere verhalen. Bovendien heeft hij zijn boek in vier delen verdeeld: winter, lente, zomer en herfst.

Niet alleen de caleidoscopische compositie maakt 1956 bijzonder, ook de verhalen zelf. Hall besteedt vooral aandacht aan het dagelijkse leven tijdens de grote gebeurtenissen. Aan de hand van ooggetuigenverslagen van wat zich op straat in Boedapest en andere steden afspeelde, beschrijft hij bijvoorbeeld de opstand in Hongarije als een onstuitbare beweging van onderop. Studentenprotesten groeiden uit tot massademonstraties die ten slotte uitmondden in rellen en bloedige gevechten met politie-eenheden. De opstand, die aanvankelijk een succes leek te worden, werd uiteindelijk ten koste van vele doden neergeslagen door het Sovjetleger.

Bij de tocht van Fidel Castro en zijn gewapende rebellen belicht Hall vooral de knulligheid van de hele onderneming. Vrijwel alles ging mis. Door een combinatie van zwaar weer en een gammele boot bereikten Castro en de zijnen de kust van Cuba twee dagen te laat om zich aan te sluiten bij de volgens plan uitgebroken opstand in Santiago de Cuba. Toen ze geradbraakt aan land gingen, was de opstand al neergeslagen. Bovendien waren ze uit koers geraakt en kwamen ze terecht in een onherbergzaam deel van Cuba. Ze werden toch ontdekt door het Cubaanse leger dat een klopjacht begon. Een deel van de rebellen werd gedood, de rest raakte verspreid over de bergen van de Sierra Maestra. Met niet meer dan twee man zat Castro daar ten slotte ergens verscholen in de bossen. ‘De ronkende boodschap van de verzetsbeweging dat zij de revolutie zouden ontketenen (-). leek niet meer dan een loze kreet’, schrijft Hall.

De opkomst van Castro en King

Toch greep Castro drie jaar later de macht in Cuba. Zo past ook de mislukte landing van de Cubaanse rebellen in Halls schildering van 1956 als een sleuteljaar in de geschiedenis. Hetzelfde geldt voor de neergeslagen Hongaarse opstand. Hoewel het Rode Leger de communistische orde in Hongarije leek te hebben hersteld, is 1956 een ‘kantelpunt in de geschiedenis van het internationale communisme’, schrijft Hall. Door de opstanden in Hongarije en Polen raakte de internationale communistische beweging in een langdurige crisis die ten slotte uitliep op de ineenstorting van het Oostblok na de val de Muur in 1989.

In de VS eindigde 1956 eenduidiger met een uitspraak van het Hooggerechtshof die segregatie verbood. Eind december kon Martin Luther King in het zuidelijke Montgomery op een stoel voorin een bus gaan zitten, een plek die tot dan toe uitsluitend voor blanken was bestemd. Ook de uitkomst van de internationale crisis rondom het Suezkanaal is eenduidig. De crisis maakte voor eens en altijd duidelijk dat Groot-Brittannië en Frankrijk geen wereldmachten meer waren. Zo werd 1956 ook een beslissend jaar in de dekolonisatie.

Enige minpunt van Halls originele mozaïek is dat de opstand van de rock ’n’ roll een vreemd, klein stukje is dat verloren gaat in het wereldwijde politieke en sociale geweld. Als Hall meer hoofdstukken had gewijd aan de culturele aardverschuivingen in de jaren vijftig, zoals de opkomst van het abstract expressionisme in de Amerikaanse schilderkunst, de doorbraak van het modernisme in de westerse architectuur of de verbreiding van het serialisme in de klassieke muziek, dan had hij niet alleen een boek geschreven dat op overtuigende wijze het jaar 1956 wijze afschildert als even cruciaal als 1968, maar had hij ook de spruitjeslucht die de jaren vijftig nog altijd omgeeft definitief verdreven.