Column

De crisis: houdt het dan nooit op?

Houdt het dan nooit op?! Die memorabele zin uit de film Zwartboek van Paul Verhoeven plopt sinds de crisis van 2008 een paar keer per jaar in mijn hoofd. Houdt het dan nooit op? De paniekerige doemsfeer op de financiële markten. De discussie onder economen of het nou best redelijk gaat of slecht. De sombere analyses over onze economische vooruitzichten, de vernietigende kritiek van economen op het financiële stelsel. De geruststellingen van centrale bankiers aan de financiële markten dat ze de economie nu weer, opnieuw, echt waar, gaan redden. We zagen het deze week weer allemaal, zoals zo vaak sinds de crisis van 2008. Houdt het dan nooit op?

Dat dacht ik bij mezelf donderdag, nog voordat de middag ter ere van het 100-jarige bestaan van economenvakblad ESB begon. Onderwerp van de conferentie: het financiële stelsel. Ik kan u vertellen; de middag stelde niet gerust.

Larry Summers, hoogleraar aan Harvard en voorheen minister en adviseur van presidenten Clinton en Obama, zei via een videoverbinding de voortdurende onvrede over het financiële systeem heel goed te begrijpen. Hij somde alle financiële crises tijdens zijn carrière op: een deprimerende lijst, gemiddeld eens in de drie jaar. „Het financiële systeem, dat de functie heeft om risico te spreiden en te managen, is de afgelopen generatie zelf eens in de drie jaar een enorme bron van risico geweest. Niemand kan tevreden zijn met de prestaties van de financiële sector.” Natuurlijk spelen bankiers een rol in die crises, zei Summers. Maar het systeem is inherent instabiel. Er is een ingebakken drang excessieve risico’s te nemen.

Nog omineuzer was de bijdrage van Martin Hellwig, hoogleraar aan de Universiteit van Bonn, en mede-auteur van het veelgeprezen boek The Bankers’ New Clothes. Hij betoogde dat geen enkele economische theorie goed verklaart waarom banken zoveel gelijksoortige risico’s nemen, die de banken vervolgens bij een schok (in de prijzen van vastgoed bijvoorbeeld, of bij een verhoging van de rente) allemaal tegelijk heel hard raken. „We hebben geen goede theorieën”, zei Hellwig. En dus is beleid maar moeilijk te maken. Ik hoor het economen steeds vaker openlijk zeggen: we begrijpen nog steeds niet goed wat het probleem is, laat staan dat we de oplossing kennen. Eerlijk. Verontrustend.

Houdt het dan nooit op? We zitten al zeven jaar in hetzelfde gesprek. De plaat blijft hangen. Het enige dat de plaat weer zal doen draaien: overtuigend economisch herstel. Uiteraard tot de volgende crisis. Politici vertellen ons dat er veel is verbeterd. Dat banken veiliger zijn, het eigen vermogen hoger, de macht van de overheid bij een dreigend faillissement van een bank groter, de regels strenger. Economen zeggen dat het systeem inderdaad weerbaarder is geworden. Maar niet veel, en zeker niet genoeg. Zijn we veilig? Nee!

En wat dan nu? Allemaal een potje gaan zitten bibberen? Nee, laten we twee dingen doen:

1. Realistisch zijn. Summers maakte de scherpste opmerking van de dag toen hij zei dat voor het probleem genaamd de financiële sector geen universeel bevredigende oplossing is. „This is a balance in pain.

2. Het eigen vermogen van banken moet nog veel en veel meer omhoog. Daarover is onder economen brede consensus. Dat is niet slecht voor kredietverlening of economie. Het verkleint wel de gokwinsten in de financiële sector en maakt dat ze zelf beter verliezen kunnen opvangen. En dat moet ook voor alle financiële bedrijvigheid in de schaduw gelden, waarschuwde Summers. Want die moeten we uiteindelijk ook gewoon redden. In de financiële sector moet de overheid de wet breed én hard voorschrijven.