Creativiteit is een luxe

Aan artiesten met depressies geen gebrek  - zo toont het Depressiegala, maandag in Amsterdam. Drie artiesten vertellen naar aanleiding van het gala over hun creativiteit en hun depressies. „Ik weet inmiddels dat mentale problemen niet onlosmakelijk zijn verbonden met goed kunstenaarschap.”

Myrthe van der Meer, schrijver | Anti-depressiva zijn een medicijn tegen de dood

‘Ik had een burn-out, zat thuis. En toen ik niet kon ophouden met huilen, stuurde mijn vader me naar de huisarts. Die belde de crisisdienst en die bracht mij direct naar de PAAZ, de psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis. Alles bij elkaar duurde dat nog geen zes uur. Nou ja, ik begrijp het ook wel. Want ik wilde niet alleen dood, ik had ook al concrete plannen over hoe en wat.

Vijf maanden ben ik op de afdeling gebleven. Weer thuis spookten allerlei gebeurtenissen van de PAAZ door mijn hoofd. Dus dacht ik: ik maak een lijstje met herinneringen. Had ik binnen twee dagen 260 herinneringen. Een vriend las ze en zei: ‘Dat kan een roman worden’. Maar ja, boeken over gedwongen opnames in psychiatrische inrichtingen zijn altijd van die zeurverhalen. Zo van: De zusters zijn sadisten, ze vergiftigen me met pillen, ze proberen me te breken met therapie en op een gegeven moment heb ik het spel meegespeeld en geloofden ze me (de sukkels!) en nu ben ik weer vrij.

In zo’n boek had ik dus geen zin. Bovendien, dat ik nog leefde, kwam door hen.

Ik heb Asperger. Dat is aangeboren. Het leidt er toe dat ik moeite heb met het begrijpen en maken van sociale contacten. Mijn beste vriendin mail ik één keer in de twee maanden. Ik denk wel iedere dag aan haar.

Op de middelbare school werd ik manisch-depressief en dat ben ik nog steeds. Tijdens een depressie wordt alles moeilijker en uiteindelijk kun je je niet eens meer tot de leuke dingen zetten. Dan wordt het gevaarlijk.

Kijk, ik heb een paard en dat vind ik geweldig. Maar tijdens mijn depressieve dagen denk ik: ‘Ik wil hem niet eens voeren, maar hij wil natuurlijk trainen en wat nu als ik iemand tegenkom op de manege, dan moet ik weer praten’. Dan trekt de depressie de conclusie: ‘Ik wil geen paard, ik ga ’m verkopen’. Terwijl ík dat niet wil.

Alles verliest zijn waarde, als je depressief bent. Ze zeggen wel eens: alles van waarde is weerloos. Maar voor een depressief iemand geldt dat echt.

En als ik manisch ben? Ja, dan gaat alles natuurlijk geweldig. Dan denk ik: ‘Ik koop vier paarden!’

Normaliter komen dergelijke stemmingswisselingen vier keer per tien jaar voor, maar bij mij ligt het tempo ietwat hoger. Hoeveel hoger? Nou, om de week bijvoorbeeld. Nu heb ik nieuwe medicijnen, en gaat het iets beter.

Ik ben nooit bang geweest dat de medicijnen mijn creativiteit zouden doden. Antidepressiva zijn geen luxemiddel, ze zijn een medicijn tegen de dood. Creativiteit is een luxe die je je niet altijd kunt veroorloven. En daarbij, je hebt altijd nog de techniek. Ik weet hoe ik een goed verhaal moet schrijven.

Weet je, ik word altijd kriegel van dat ophemelen van artisticiteit. ‘Mijn creativiteit wil graag een kopje koffie. Met twee klontjes, anders kan ik niet schrijven.’ Pfff.

Ik heb altijd gedacht dat ik nooit ouder zou worden dan 25, ik was op mijn 16de al gesloopt door de depressies. En eigenlijk klopte dat wel, want op mijn 26ste werd ik opgenomen. Ik heb nooit nagedacht hoe het verder moest, na mijn 25ste. En dus leef ik nu in reservetijd, zonder toekomstplannen. En het werkt! Je kunt ook zonder toekomst leven.”

Lucky Fonz III, singer songwriter | Sterven rond je 27ste vond ik een sexy idee

‘Ik kreeg voor het eerst last op mijn 14de, maar ging echt onderuit op mijn 27ste, in 2008. Dat was logisch, want ik had nooit voorbij mijn 27ste verjaardag gedacht. Ik heb de zogenoemde club van 27 altijd geromantiseerd. De club van 27 zijn getroebleerde muzikanten die overlijden op hun 27ste, veelal door overmatig drank- en drugsgebruik: Jim Morrison, Kurt Cobain, Amy Winehouse. Vond ik een sexy idee. Alleen, toen ik 27 werd, had ik nog niet genoeg gepresteerd. En dus kon ik nog niet doodgaan.

Ik heb een recidiverende depressieve stoornis met elementen van een psychose. Depressie zit in onze familie. En toch, de eerste keer dat ik bij een psycholoog kwam voelde zó als falen. Het duurde dan ook tien jaar voor ik eindelijk ging.

Ik ben een theatrale figuur, kan goed doen alsof. De mensen zagen niets aan mij. Zelf heb ik lang gedacht dat die depressies iets spiritueels waren, dat ik werd gestraft voor iets. En dan hing ik ook nog de romantische traditie aan. Dat kunstenaarschap en mentale problemen hand in hand gaan. Dat een kunstenaar moet lijden. Dat creativiteit alleen in dat lijden ontstaat.

Eigenlijk wordt een depressie maar op twee manieren bekeken. Er is de romantische en er is de medische traditie. In dat laatste opzicht is een depressie te vergelijken met een gebroken been dat moet worden gespalkt. Maar beide benaderingen zijn veel te eenduidig. Een depressie kan ook een maatschappelijk of collectief probleem zijn.

Bij mijn eerste album was er vooral het verlangen popster te worden, om onderdeel uit te maken van iets subliems. Mijn tweede album werd al donkerder. Op het derde album hoor je de depressie in mijn stem. Tijdens mijn vierde album zat ik in therapie, toen ging het beter. Op mijn vijfde album had ik gewoon liefdesverdriet.

En nu komt mijn zesde album er aan: In je nakie. Dat gaat over de crisis ná de crisis. Hoe ga ik in een banale wereld zonder romantiek om met mijn verlangen naar het sublieme? Ik wil veel en ik wil het nu, maar dat verlangen kan je kapot maken, bijvoorbeeld in de vorm van een depressie.

Ik weet inmiddels dat mentale problemen niet onlosmakelijk zijn verbonden met goed kunstenaarschap. Het is eerder andersom. Hoe vrolijker ik ben, hoe meer muziek ik maak. Ben ik depressief, dan doe ik niks.

Nee, geloof me, wat ik in 2008 heb meegemaakt, wil ik nooit meer meemaken. Ik heb ook een pakket maatregelen genomen om dat te voorkomen: niet te veel drank en drugs, wel sporten en mediteren. En ik voer gesprekken met mijn manager, over hoe we actief stress kunnen vermijden. Ook denk ik minder over mezelf na in termen van succes en falen.

Het gaat nu best goed. Ik ben gezond, ben alleen maar bezig met muziek. Ik ben psychisch niet stabiel, en zal dat waarschijnlijk nooit worden ook. Alleen, die scepsis raak ik nooit meer kwijt. Een depressie tast je relatie met je gevoelsleven voor altijd aan. Je zult je gevoel altijd wantrouwen. Dat heeft je immers ooit volledig de verkeerde kant opgestuurd.”

 

Roos Rebergen, singer songwriter | Het moet geen zielige vertoning worden

‘Zo rond mijn 22ste jaar zakte ik weg. Ik vond muziek niet meer leuk, ik interesseerde me voor niets. En ik moest weer huilen, net als vroeger, alleen nu stopte het niet meer. Mijn ouders hebben toen voorgesteld om eens te gaan praten met een muzikant die vroeger zelf met depressies kampte. Ik vond het overdreven, wilde me niet aanstellen. Benoem de dingen niet, dan zijn ze er ook niet, dacht ik toen nog. Maar ik was nauwelijks in gesprek met die muzikant of hij zei: ‘Jij moet naar een psycholoog’.

Ik ben depressief. Dat zat er al vroeg in. Alleen, ik wist het niet. Begreep niet waarom ik zo vaak moest huilen, waarom ik zo snel van slag raakte als er iets veranderde. Achteraf zie ik patronen. Waarom ik vroeg met school ben gestopt bijvoorbeeld. Ik ben ook hoogsensitief, alles maakt indruk.

Op mijn 18de, nu zeven jaar geleden, kwam mijn eerste cd uit: Ze willen wel je hond aaien maar niet met je praten. Rond die tijd ging ik ook uit huis, onze boerderij werd afgebroken. Het was veel bij elkaar. Mijn eerste cd kreeg veel aandacht. Ik had zelf niet het gevoel dat ik al was begonnen. Iedereen had ook een mening over me – nou ja, niet dat ik wereldberoemd was, maar raar voelde het wel.

Spannend was het ook. Kwam ik ineens in de grotemensenwereld terecht, waar ik optrad met dichters en muzikanten. Het heeft me veel gebracht, dat ik zo jong alles zelf deed.

Mijn somberheid kon ik destijds kwijt in mijn liedjes. Maar na mijn tweede cd wist ik niet meer wat te schrijven. vier jaar na het verschijnen van Ze willen wel je hond aaien maar niet met je praten, zakte ik langzaam weg.

Die muzikant stuurde me dus door naar een psycholoog. Na een jaar ben ik aan de medicijnen gegaan. Dat vond ik doodeng, en ik wilde het ook niet. Het voelde niet natuurlijk. Ik dacht dat mijn creativiteit er aan zou gaan.

Daarom ben ik vorig jaar ook gestopt, in één keer. Nu, wat er toen gebeurde … ik sloeg helemaal door. Ging veel werken, schrijven, drinken. Op een gegeven moment kon ik ook niet meer slapen. Tsja, dat hou je dus niet vol.

Dus ben ik terug aan de medicijnen gegaan en toen ging het weer goed. Dat vind ik wel eng hoor, dat het zo snel goed kan gaan. En zo snel fout. Of mijn creativiteit is verdwenen? Nee, ik geloof het niet. Bovendien, als ik depressief zónder medicijnen ben, lig ik alleen maar op bed. Ben ik somber mét medicijnen, dan ga ik tenminste aan de slag.

Ik schrijf wel over mijn depressiviteit in mijn liedjes, maar leg het er ook niet te dik bovenop. Nou ja, zo’n liedje als Hersens, dat gaat natuurlijk over niet kunnen slapen.

In april komt mijn eerste poëziebundel uit, daarin leg ik mezelf wel op tafel. Op een leuke manier hoor, want het moet geen zielige vertoning worden. Maar in de muziek benoem ik het niet zo letterlijk.

Ik ben wel altijd bang dat die zware depressie terugkomt. Het draait ook allemaal zo veel om mij. Die albums, en nu weer dat boekje. Dat vraagt ook veel van mezelf. Gelukkig ga ik in april met André Manuel een plaat maken. Dan wordt het ook gelukkig allemaal wat minder Roos Rebergen.”