Wegbereider voor Hitler

Deze Brit legde de grondslagen voor Hitlers rassenleer. Lange tijd werd hij als een charlatan gezien, maar een nieuwe biografie zet hem neer als serieus denker.

Houston Stewart Chamberlain (1855-1927), wiens rassentheorie voer voor Hitler was Foto Hollandse Hoogte

Het nationaal-socialisme stelde in intellectueel opzicht weinig voor. Behalve dat de doelstellingen van deze ideologie volstrekt verderfelijk waren, is ook de rassentheorie die hier de grondslag van vormde wetenschappelijk gezien onhoudbaar. Niet alleen Hitler was een slechte stilist en een slordige denker, ook andere NSDAP-intellectuelen waren volkomen oninteressant. Op z’n best waren het geslepen propagandisten of behendige Schreibtischmörder. Hoewel weinig mensen Alfred Rosenbergs Der Mythus des 20. Jahrhunderts hebben gelezen, zal waarschijnlijk niemand Ernst Jüngers oordeel over dit hoofdwerk van Hitlers chef-ideoloog weerspreken: ‘De platste verzameling haastig overgeschreven gemeenplaatsen, die men zich kan voorstellen.’

Dit heeft ertoe geleid dat veel hedendaagse intellectuelen nog altijd geneigd zijn de afstand tussen de nazi’s en beroemde auteurs als Martin Heidegger, Carl Schmitt en Jünger zo groot mogelijk te maken. Ook nemen zij voetstoots aan dat figuren die door Hitler en de zijnen werden gewaardeerd of bewonderd eenvoudigweg niets konden voorstellen.

Zo wordt zeker gedacht over Houston Stewart Chamberlain (1855-1927), de tot Duitser genaturaliseerde zoon van een Britse schout-bij-nacht die in 1899 wereldberoemd werd met zijn internationale bestseller Die Grundlagen des XIX. Jahrhunderts. Nu lees je dit ruim 1200 bladzijden tellende boek niet voor je plezier, en is de rassentheorie die erin ontvouwd wordt ons vanzelfsprekend zuwider, maar betekent dit automatisch dat de honderdduizenden lezers van dit boek domkoppen waren, die zich knollen voor citroenen lieten verkopen? Was die Chamberlain inderdaad een charlatan, die wijdverbreide vooroordelen verpakte in pseudowetenschappelijke publicaties?

Adellijke familie

Uit de gedegen biografie van Udo Bermbach – emeritus hoogleraar politicologie in Hamburg – rijst een genuanceerder beeld op. Chamberlain stamde uit een rijke, adellijke familie, en toen wegens zijn zwakke gezondheid een militaire carrière onmogelijk bleek, ontving hij een jaargeld dat hem in staat stelde een leven als kamergeleerde te leiden.

Hoewel hij zich enthousiast op de klassieke Duitse literatuur stortte en als zoveel tijdgenoten een afgodische bewondering voor Richard Wagner koesterde, waren het aanvankelijk vooral de natuurwetenschappen die zijn meeste aandacht opeisten. Hij schreef een dissertatie over een botanisch onderwerp en bestudeerde vol ijver de theorieën van Darwin en diens navolgers. Darwins evolutietheorie, Gobineaus eerder verschenen ideeën over de ongelijkheid van de menselijke ‘rassen’, en oude vooroordelen tegen joden, bracht hij samen in een rassentheorie die het oude, grotendeels theologisch en cultureel bepaalde antisemitisme een ‘biologische’ basis verschafte.

Die Grundlagen des XIX. Jahrhunderts was echter niet het zoveelste antisemitische schotschrift, maar een ambitieuze poging een verklaring te geven voor de enorme maatschappelijke, culturele, politieke veranderingen waarmee de burger aan het einde van de 19de eeuw geconfronteerd werd. Oude zekerheden werden weggevaagd en de wereld leek in toenemende mate een chaos, wat veel mensen onzeker maakte.

Terwijl marxistische theoretici in dezelfde tijd alles verklaarden met de ‘klassenstrijd’, reduceerde Chamberlain de geschiedenis vanaf de Oudheid tot ‘rassenstrijd’. Het is een visie die wij – net als het marxisme – niet meer onderschrijven, maar ze paste wel in het toenmalige intellectuele klimaat.

De indrukwekkende hoeveelheid literatuur die Chamberlain in dit boek heeft verwerkt droeg er ongetwijfeld toe bij dat veel lezers zijn verhaal overtuigend vonden. Bovendien sloten zijn opvattingen goed aan bij een groot publiek dat van mening was dat de ‘blanken’ terecht de ‘gekleurde rassen’ koloniseerden. En hoewel Chamberlain nergens pleitte voor geweld tegen joden, leek hij wetenschappelijk aan te tonen dat zij ‘anders’ en dus geen Duitsers waren.

Bermbach laat zien dat Chamberlain in zijn tijd niet werd gezien als een maniakale zonderling, maar dat zijn opvattingen door velen geaccepteerd werden. Dat gold ook voor zijn boeken over Wagner – hij trouwde hij met een van diens dochters – en voor zijn studies over Goethe en Kant.

Door zijn goede band met Wagners vrouw Cosima behoorde hij tot de inner circle van de Wagnerianen, en zijn visie op de componist genoot groot gezag.

Dat zijn verdiensten als publicist vergeten zijn, komt uiteraard door Chamberlains antisemitisme en het feit dat Hitler hem prees als wegbereider. Bermbach laat echter zien dat de rechtstreekse invloed van Chamberlain op de politiek van de nazi’s vrij gering was. Het was vooral iemand als Alfred Rosenberg die Chamberlains opvattingen versimpeld en aangepast heeft.

Chamberlain en Hitler hebben elkaar slechts één keer ontmoet, en toen was de rassentheoreticus al doodziek. Een bekende antisemiet met wie hij veel meer contact had en die hem mateloos bewonderde, was overigens keizer Wilhelm II.

Toen hij in 1927 stierf zag het er absoluut niet naar uit dat Hitler ooit aan de macht zou komen. De plattegrond voor Auschwitz heeft hij dan ook niet getekend, wat niet wegneemt dat hij wel een van de wegbereiders van het nazisme is geweest. Met zijn publicaties heeft hij er in ieder geval mede voor gezorgd dat het moderne, biologisch gefundeerde antisemitisme in de ogen van een groot deel van het Duitse Bildungsbürgertum respectabel werd.