Van dode man tot debutant. Zeven aan te bevelen dichtbundels – van Adonis tot Verhelst – voor de Poëzieweek

Elk jaar leidt de Poëzieweek tot een opleving van het aantal in Nederland gepubliceerde dichtbundels. Arjen Fortuin grasduinde door het aanbod en koos het een en ander uit.

Kort voor zijn dood, eind oktober 2012, stuurde Bernlef alles wat hij nog had aan ongepubliceerde poëzie aan zijn uitgever, die daar nu een keuze uit heeft gemaakt: Reflecties (Querido, 88 blz. € 18,99). De bundel bevat veel korte, aforistische gedichten, soms wat al te los, maar bij vlagen zeer Bernlefs: ‘“Heb ik dit goed gehoord/ of verkeerd onthouden?”/ Zo werden haar woorden doorgegeven.// Toch: zich een deel weten van/ een verkeerd verstaan verleden/ is beter dan alles vergeten te zijn.’ Mooi zijn de vertalingen die Bernlef (1937-2012) maakte van het werk van Elizabeth Bishop. Het meest ambitieus in de bundel is de reeks ‘Glossy – het meisje’ met een gedicht als ‘De toekomst’, dat zo begint: ‘Ze zei: tussen de gladde bladzijden van mijn glossy/ zat een glazen pipetje geplakt, proefflacon/ van L’Avenir, een nieuw parfum/ dat ik moest hebben en wel nu meteen.’ Een woord als proefflacon zou je vaker in een gedicht willen tegenkomen.

Bernlef vertaalde Bishop (en in de loop van zijn leven wel veel meer), maar er verschijnen zelfs in de Poëzieweek weinig in het Nederlands vertaalde dichtbundels. Dat ligt niet aan de Vlaamse uitgeverij P, die al jaren zorgt voor een gestage stroom (internationale) poëzie, met altijd wel een verrassing. Dat zijn nu de gedichten van Raymond Carver (1938-1988), die zijn faam vooral aan zijn verhalen dankt. Sommige van de gedichten in Waar water samenvloeit met ander water (vert. Joris Iven, 80 blz. € 18,–) zíjn eigenlijk al korte verhalen. Briljante verhalen, kijk maar naar het begin van ‘Anathema’: ‘Het hele gezin leed./ Mijn vrouw, ikzelf, de twee kinderen, en de hond// wiens puppies dood werden geboren/ Onze zaken, of wat daarvan overbleef, gingen in rook op./ Mijn vrouw had de bons gekregen van haar minnaar,/ de éénarmige muziekleraar die/ haar enige contact was met de buitenwereld/ en de dingen van geestelijke orde.’ Zo zijn veel van de gedichten in de bundel bundel: scherp, geestig en regelmatig met een flinke scheut gin erover om het allemaal nog erger te maken.

Dat de Syrische dichter Adonis (1930) kandidaat is voor de Nobelprijs is zo ongeveer wel bekend, maar ook van hem was weinig werk in vertaling beschikbaar, maar de bloemlezing Wat blijft (vert. Kees Nijland en Assad Jaber. Uitgeverij Jurgen Maas, 100 blz. € 19,95) belicht de volle breedte van Adonis’ dichterschap. Van eenregelpoëzie als ‘Hier legt de wijsheid iets en niets in één schaal’ tot breed uitwaaierende prozagedichten als ‘Een hemelse samenvatting’ waarin een dialoog met een opperwezen een historiserend, associatief, politiek en wreed beeld van de stad Jeruzalem geeft: ‘De dag en de nacht vochten. Beiden probeerden,/ in naam van Jeruzalem, de ander te wurgen/ De tijd maakte er een documentaire van.’ Er zijn slechtere samenvattingen.

Heel mooi uitgevoerd is de verzameling Hoe het komt, waarin uitgeverij De Harmonie alle gedichten die Hans Tentije (1944) de afgelopen 22 jaar publiceerde, prachtig bijeen heeft gebracht (448 blz. € 24,50). De verhalende denkpoëzie van Tentije, die in deze krant ‘Aquarellist met taal’ werd genoemd, gaat van Boedapest tot Santpoort en van jonge katjes tot het korstmos op grafstenen. Of de dichter zet alleen de tijd even stil: ‘Doodverf en dekwit bracht ik op –/ en het blauw van je ogen/ diepte ik op, maar het verdwaalde in je blik/ wiste je trekken, je gezicht/ een portret dat niet viel te maken’.

Al op jongere leeftijd ‘voorlopig verzameld’ is het werk van de voormalige Rotterdamse stadsdichter en presentator van radioprogramma Nooit meer Slapen Ester Naomi Perquin (1980), wier eerste drie bundels nu in één band te koop zijn: Jij bent de verkeerde (Van Oorschot, 176 blz.

€ 19,99). Voor zoetsappigheid is hier niet veel plaats, zie de opsomming aan het begin van ‘Er is nog heel veel over’ uit 2012: ‘Aangereden vogels kun je laten liggen, kun je klapwiekend en al/ terzijde schuiven, vergeten voor je zelf de straat uit bent// fiets die omvalt in de regen, gebruikte naalden in een zandbak,/ bananenschil op een strategisch punt, niet geposte enveloppe/ aan de belastingdienst verplicht op niets’. Nog zes regels verder volgt de climax: ‘en van je hand, van je hand kun je een wapen maken,/ in je broekzak steken. Afgevijld. Doorgeladen.’

Van die regels gaat al een zekere dreiging uit, maar die is nog veel explicieter in Zing zing, de nieuwe bundel van Peter Verhelst (Prometheus, 72 blz. € 15,–), waarin de Vlaamse opperlyricus (1962) op zoek gaat naar ‘de gezangen van de nacht’. In de reeks ‘Gezangen van de onverrichterzake’ klimt men op de daken, neerkijkend in het wassende water, waarin ‘nauwelijks enkele seconden in het kolken/ een ziedend oog ons, eindelijk iets enkele seconden/ ons aankijkt.’ Even verder in dezelfde afdeling laat hij een gedicht uitlopen in wat je een poëtica zou kunnen noemen: ‘We hebben getrild om aan wie of wat ook/ die trilling te hebben doorgegeven,// onverrichterzake,// maar wel ons liefste, kleine juichende onverrichterzake.’

Er verschijnt deze winter nog een hele reeks kleine en minder kleine, juichende en minder juichende onverrichterzakes. Een nieuwe bundel van Bart Chabot (Bananenrepubliek), de tweede van Hans Ester (E-groot is rood) en nieuw werk van gelauwerde dichters als Menno Wigman (Slordig met geluk) en Nachoem M. Wijnberg (Van groot belang). De verzamelde gedichten van de twee jaar geleden plotseling gestorven Erik Menkveld (1959-2014). En het debuut Zes, van Mathijs Gomperts (Van Oorschot, 44 blz. € 16,99). Het is een reeks gedichten vanuit kinderperspectief (zie de titel) waarin de wereld soms net iets bedreigender is dan je een jongetje zou gunnen. Zoals in het gedicht waarin de moeder een nietsvermoedend-tandenpoetsend kind ineens laat zien ‘hoe een kutje eruitziet als je volwassen bent’. Mooi onverrichterzake is het gedicht waarin Gomperts (1988) kinderen een stoeptegel laat loswrikken en stukgooien (‘kleinere brokken – zeg ik –/ we moeten meer stenen hebben –’). Niet voor jeugdvandalisme, zo blijkt: ‘ik plons ze met langzaam zwaaiende worpen/ net achter de bal’. Maar wel vergeefs, natuurlijk: ‘met mijn buik lig ik op de zanderige kade/ het bloed drukt van achter tegen mijn ogen/ en mijn armen strekken zich naar de bal uit/ die bij aanraking nat wegdraait als een boei/ op zee vol glibberige algen.’