Treurnis

Auke Kok is schrijver en journalist.

‘Do you speak English?” Gewoon doen alsof je niets hoort, doorfietsen. Op dit nachtelijk uur zal niemand onschuldig vragen of je een foto wilt maken, zelfs niet hier op de Keizersgracht. Het zal wel de opmaat zijn tot bedelen, of tot gezeur van een mafkees. Staat eigenlijk wel vast. Doorrijden dus — en toch rem ik af, ik weet niet goed waarom en voor ik het weet stop ik, en kijk hem aan.

Te laat. Voor zover ik zijn gezicht kan zien onder zijn capuchon zie ik wanhoop. Donkere ogen vol angst in een bleek gelaat. Een vijftiger net als ik maar lang niet zo gelukkig. Uit zijn verhaal maak ik op dat hij uit Irak komt en hulp nodig heeft. Ik luister. Ik moet wel, wie eenmaal aandacht geeft kan er moeilijk meteen mee ophouden. Dat zou erg onbeleefd zijn en bovendien maakt hij een beschaafde indruk. Al drie dagen loopt hij dakloos en bedloos door de stad, zegt hij, dit kan zo niet langer.

Wat een toestand — maar wat moet ik hiermee om half drie ’s nachts op een verlaten gracht? Het is koud, ik wil naar huis. Terwijl zijn verhaal zich voortsleept in correct Engels kijk ik soms zo strak mogelijk naar voren, misschien denkt hij dan dat ik ergens word verwacht en nu echt weg moet. Hij praat door. Familie van hem zit in Denemarken. De Irakees moet naar Ter Apel en uiteindelijk naar Roemenië. Blijkbaar heeft hij dingen buiten de regels om gedaan en moet hij terug naar Af.

Ik knik en leef mee. Maar met compassie lijk ik weinig te kopen, in ieder geval niet mijn vrijheid. De van droefheid fonkelende ogen houden me gevangen.

Ik kan niet weg en probeer: „Niemand hoeft hier op straat te slapen.” Daarmee lijk ik mezelf meer moed in te spreken dan hem, want de asielzoeker schudt zijn capuchon. Het Leger des Heils dan? Daarvoor moet je ingeschreven zijn in Amsterdam, zegt hij. Is hij kennelijk niet. Met een sip soort wijsheid lijkt hij alles al te weten en ik schijn iets te moeten oplossen.

Het is alsof alle Journaals en Nieuwsuren van de laatste jaren samengebald voor me staan. Dit is hem nou, zo’n arme ziel uit verre landen. Hier aangespoeld als een potvis en niemand die hem redt. Zal ik hem tien euro geven? Nee, wat moet hij daar nou mee. Ik kan hem ook moeilijk achterop de fiets mee naar huis nemen. De mogelijkheden van taxi’s, politie en VluchtelingenWerk buitelen over elkaar heen, ik kom er niet uit.

I can not help you”, zeg ik ten einde raad en dan zie ik het allerlaatste restje hoop in de mensheid wegvloeien uit de ogen in de capuchon. Ik heb het gedaan, alles is nu verloren. Een onbeschrijflijke treurnis drukt zijn mondhoeken omlaag terwijl de man zich van me afwendt.

Ik trap tegen mijn schuldgevoel in naar huis. De volgende ochtend word ik wakker met een kater, en dat komt niet van de drank.