‘Toneel draait ook om wat er tussen het publiek gebeurt’

Theatermaker Lotte van den Berg maakt ‘theatrale interventies’ op locatie. Maandag neemt ze deel aan een debat over de ‘fluïde stad’ in Frascati

Lotte van den Berg verliet het theater en maakt toneel tussen publiek. Foto Mats van Soolingen.

Lotte van den Berg gaat weer de zaal in. Of beter gezegd: de theatermaker die de zaal gedag zei en internationaal naam maakte met voorstellingen op locatie gaat óók weer voorstellingen voor theaters maken. Op de Ruhrtriennale van 2017 gaat deel één van een tweeluik in première: Dying together en Orgy Alone.

Na haar regies bij onder meer het Toneelhuis in Antwerpen besloot Van den Berg de theaters te verlaten. „Als regisseur zit je altijd in de coulissen”, zegt ze in broedplaats Open Coop in Amsterdam-Noord, „je bekijkt alles van een afstand. Ik wilde praten met het publiek.”

In 2009 maakte ze met haar eigen gezelschap in Dordrecht onder andere een voorstelling met 50 bewoners uit de stad. Vervolgens vertrok ze naar Kinshasa in Congo. „Ik improviseerde een tribune met een paar stoelen op straat. Maar niemand ging zitten: toeschouwers stapten zelf de voorstelling in en deden mee. Dat zei voor mij ook iets over onze westerse samenleving. Ik realiseerde me dat een tribune ook een controlerend mechanisme is en eigenlijk alleen maar een illusie van overzicht geeft.”

Terug in Nederland ontwikkelde ze voorstellingen waarin ze het publiek uitdaagt in de voorstelling te stappen „en zelf verantwoordelijkheid te nemen”. Internationale faam verwierf ze met de voorstelling Agoraphobia die ze op pleinen door heel Europa tot Times Square in New York liet opvoeren. Een acteur op het plein ging in gesprek met de mensen op straat. Toeschouwers luisterden op een afstand met hun telefoon naar de interacties.

De laatste jaren ging ze nog een stap verder met Building Conversations, dat ze samen met beeldend kunstenaar Daan 't Sas ontwikkelde. Daarin creëert ze enkel nog het kader waarbinnen deelnemers met elkaar gesprekken voeren. Inspiratie ontleenden ze aan onder andere de Maori’s en de Inuits. „De groep is verantwoordelijk. Wij scheppen enkel de ruimte waarin iets kan ontstaan, zonder dat we aansturen op een conclusie.”

„Veel mensen vinden het eng om het gesprek met vreemden aan te gaan. In een gesprek kan een conflict of tegenstelling naar boven komen, dat geeft spanning. Maar het samen verduren van die spanning, zoals we in het theater ook doen, is precies wat ik zo prachtig vind aan een goed gesprek. Er ontstaat altijd iets wat mensen niet hadden verwacht.”

Die ervaringen wil ze nu terug brengen naar de theaterzaal. „Als veertig of vijftig mensen naar het zelfde punt kijken, dan creëert dat als vanzelf al een podium. De performer hoeft enkel de aandacht vast te houden. Dat is voor mij de kracht van theater. Ik ben teleurgesteld als bij een voorstelling alles alleen maar draait om wat er op het podium gebeurt en niet om wat je samen beleeft en mogelijk maakt. Nee, ik ga inderdaad zelf niet meer vaak naar een schouwburg.”

Ze noemt de nieuwe voorstellingen, in zalen zonder hun tribunes, „een doorlopend onderzoek naar de kracht van de theatrale ruimte. Ik wil kijken wat ik tijdens een samenzijn in het theater teweeg kan brengen met en tussen de toeschouwers.”