Een verouderd berggidsje kostte hem bijna het leven

Door klimroutes in oude en nieuwe berggidsen met elkaar te vergelijken, ontdekte geograaf Arnaud Temme veranderingen in het berglandschap. ‘Het risico van steenslag neemt sinds de eeuwwisseling snel toe.’ 

Foto Andreas Terlaak

Een verouderd berggidsje kostte klimmer en geograaf Arnaud Temme bijna het leven. Maar diezelfde gids bezorgde hem tegelijkertijd een geweldig nieuw idee voor zijn onderzoek naar het groeiend risico van steenslag in de Alpen. Temme: „We waren met z’n vieren aan het klimmen in de Zwitserse Alpen, begin juli 2011, bij de Jungfrau. De route die we hadden gekozen was veilig, volgens het berggidsje. Maar dat was al tien jaar oud. Onderweg kregen we onverwachts heel veel steenslag. Stenen knalden op mijn helm, op mijn schouder. Ik schrok me rot. Er was wat bloed. Gelukkig waren de stenen niet al te groot, ik schat zo’n 5 centimeter. Als ze 20 centimeter waren geweest, en dus zo’n 10 kilo per stuk, had ik vast van alles gebroken.” 

Na de tocht bladerde Temme ’s avonds door een actuelere gids. „Die vermeldde over onze route dat je die echt niet meer moest klimmen. Toen dacht ik, hé. Door oudere en nieuwere berggidsen te vergelijken, kun je veranderingen in het landschap achterhalen.”

Dat is wat Temme (37) interesseert. Aan de Wageningen Universiteit bestudeert hij hoe berglandschappen veranderen door klimaatopwarming. Duidelijk is, zegt Temme op zijn werkkamer, dat overal ter wereld gletsjers smelten. Hij pakt een stift, zet zijn koffie aan de kant, en tekent op de tafel, die tevens als whiteboard dient. „Ze trekken zich terug, verder de berg op. Zo”, zegt hij, terwijl hij een paar ijstongen boven elkaar tekent. Daardoor komt het onderliggende gesteente bloot te liggen, en is het gevoeliger voor temperatuurswisselingen. „IJs werkt als een soort lijmlaag tussen stenen”, zegt Temme. „Als het smelt gaan stenen eerder schuiven.” En water in steenspleten zet uit en krimpt als het bevriest en weer ontdooit. Vooral in de zomer gebeurt dat, zegt Temme. Dan is het ’s nachts bijvoorbeeld -7 graden Celsius, en overdag +8. Het vergroot de kans op barsten. „Je zou denken dat dan ook het gevaar op steenslag toeneemt.”

Is dat niet duidelijk dan?

„Er wordt veel onderzoek naar gedaan, langs twee lijnen. De ene zoomt in op het proces in de steen. Er staan microfoontjes en 3D-scanners bij rotsen om het scheuren minutieus vast te leggen. De andere lijn bestudeert grote gebeurtenissen, steenlawines. Maar dat is fenomenologie. Je mist al die steenslag die zich in hoge frequenties, maar met kleine volumes, voordoet. Je krijgt geen algemeen beeld van de veranderingen.”

Ook niet door de komst van satelliet- metingen?

„De resolutie van die beelden wordt steeds beter, maar het nadeel is dat je vaak met steile bergwanden te maken hebt en die zijn van bovenaf lastig in beeld te krijgen. Je hebt sinds kort wel laserscanners die tegenover een berg worden gezet en van een afstand van kilometers veranderingen in beeld brengen.”

Welke berggidsen heeft u gelezen?

„Ik heb me beperkt tot de Berner Alpen, en specifieker tot vijf bergen: de Jungfrau, Mönch, Eiger, Finsteraarhorn en Schreckhorn. Die hebben een lange historie van alpinisme. De Jungfrau werd in 1811 voor het eerst beklommen.

„De gidsen die ik las zijn allemaal ooit geselecteerd door de Zwitserse Alpine Club. Die van deze en de vorige eeuw waren in het Duits. De nóg oudere gidsen waren in het Engels. De oudste was uit 1864, van John Ball, een bekende alpinist.

„Tweede en derde edities van een gids heb ik laten vallen, omdat die zelden geactualiseerd zijn. Ik heb uiteindelijk 17 gidsen gelezen, die alle 63 routes op deze vijf bergen beschrijven. Ik zocht naar termen als ‘ab zu raten’ of ‘rock fall danger’ of ‘fester Fels’.”

Zijn inschattingen over gevaar niet heel subjectief?

„In zekere zin. Maar bedenk wel dat de gidsen door professionele klimmers zijn geschreven. Ze delen een bepaalde standaard. Als ik iets gevaarlijk vind, vindt negentig procent van de klimmers dat ook.”

Hoe kwam u aan die gidsen?

„Ik heb ze gelezen in de Zentralbibliothek Zürich. Hun atoomkelder bestaat uit vier verdiepingen vol boeken. De bibliothecaris was blij verrast iemand te spreken die interesse had in die berggidsjes.”

En wat heeft u gevonden?

„Dat het gevaar op steenslag op die 63 routes sinds 1950 voorzichtig stijgt, en sinds de eeuwwisseling opeens veel harder.”

Houdt het gevaar nog verband met bepaalde kenmerken van een berg?

„Op de oost- en westhellingen is er meer gevaar dan op de zuid- en noordhellingen. Dit is niet controversieel, want de oost- en westhellingen ondergaan de grootste temperatuursverschillen. Maar het was niet eerder vastgesteld. Hetzelfde geldt voor stukken die de vorm hebben van een V, de couloirs. Die zijn gevaarlijker dan de stukken in de vorm van een tentje, de graten. Ook dat is logisch.

„Verrassender was de vondst dat het gevaar groter is op hellingen van graniet en amfiboliet. Dat zijn allebei harde stollingsgesteenten. Je zou juist meer gevaar verwachten bij de zachtere gesteenten, kalksteen en gneis, die eerder barsten. Dat wil ik verder onderzoeken.”

Doet de bergsport al iets met deze kennis?

„Daarvoor is het nog wat vroeg want het onderzoek is net gepubliceerd [Geografriska Annaler, 14 december 2015; red.]. Er gebeurt veel om de veiligheid te vergroten. Franse collega’s hebben sinds anderhalf jaar een app in de lucht, Alp-Risk. Je kunt via je mobiel gevaarlijke situaties doorgeven, inclusief foto’s en locatie.

„Uiteindelijk wil je beter kunnen voorspellen waar je gevaar verwacht. Op basis daarvan kun je bijvoorbeeld wandelpaden verleggen, en hutten, bergliften, autowegen over passen.”

Wilt u dit gidsonderzoek ook nog voor andere gebieden doen?

„Voor Amerika of Azië is het onmogelijk, want de oudste gidsjes zijn daar pas twintig, dertig jaar oud. Ik vrees dat de Zwitsers op dit gebied het beste en meest gestructureerd zijn. Ik wil wel nog naar het Mont Blanc-gebied kijken, om mijn gidsjesaanpak te vergelijken met het bestuderen van foto’s. Dat is zo cool. Van dat berggebied zijn heel veel oude foto’s, en die zijn inmiddels bewerkt tot 3D-beelden. Ook zo kun je veranderingen door de tijd volgen.”