Column

Oliepiemel

Het gebeurde op een van die nieuwjaarsborrels waarbij het nieuwe jaar nog even alcoholisch kan worden stilgelegd voordat het wreed losbarst. Ik ontmoette een oude kennis die ik al bijna was vergeten – en hij mij, zag ik aan de onzekere blik die hij op mij richtte.

We worden oud, denk je op zulke momenten, zonder het te zeggen, want dat vind je zo vervelend voor de ander.

Na de inleidende plichtplegingen en enkele glazen wijn begonnen we de mensheid in het algemeen en enkele hier niet nader te noemen individuen in het bijzonder door te nemen. We werden steeds kritischer: gedeelde afkeer is verdubbelde afkeer, vooral als je zelf buiten schot blijft.

„De mensen kunnen zo tactloos zijn”, zei hij.

Ik knikte en begon het verhaal te vertellen over de afwikkeling van een erfenis in mijn omgeving.

De tweede vrouw van mijn vriend was overleden. Zij had twee zoons uit een eerste huwelijk met wie hij altijd een redelijk contact had gehad. Twee dagen na haar begrafenis meldden de zoons zich bij hem. Ze kwamen ‘wat spulletjes’ van hun moeder ophalen.

Hoewel haar testament daar niet in voorzag, was mijn vriend in beginsel wel bereid het een en ander af te staan – maar de druk en de haast van de zoons ergerden hem. Waren ze helemaal belazerd! Toen ze ook nog foto’s van die ‘spulletjes’ begonnen te nemen, liep de situatie uit de hand. Hij werkte de zoons grimmig de deur uit, waarmee de familieband voorgoed verbroken werd.

De kennis van de nieuwjaarsborrel gebruikte mijn verhaal als een opstapje naar een eigen ervaring. Ik vermoedde dat hij mij kon overtreffen – anders doe je dat niet. Hij haalde nog wat drankjes bij de bar en begon.

„Een goede vriend van mij vertelde me dat hij iets grappigs over mijn vader wist. Je moet weten dat mijn vader al ongeveer vijftig jaar dood is. Mijn vriend had mensen gesproken die vroeger de buren van mijn vader waren geweest. Mijn vader was toen al getrouwd en had twee kinderen, mijn broertje en ik. Bij die buren, bleek nu, hadden ze een bijnaam voor mijn vader gehad: oliepiemel.”

Ik moest het woord even laten bezinken. Hier werd Nederlandse taalgeschiedenis geschreven, leek me.

„Hoezo oliepiemel?”, vroeg ik.

„Ik wist wat hij bedoelde”, zei mijn kennis. „Niet mijn vader, maar mijn grootvader had als jonge man een oliehandeltje gedreven. Hij reed met de kar door het stadje om aan de deur olie te verkopen. Doodeerlijke handel, maar wel nogal armoedig. Mijn vader had een heel ander vak, maar omdat zijn vader olieman was geweest, vonden ze het bij de buren leuk om hem achter zijn rug oliepiemel te noemen.”

Hij snoof verontwaardigd en liep weer naar de bar, ditmaal voor een sterker drankje. „Hoe vin je dat?”, vroeg hij retorisch. „Krijg je vijftig jaar na de dood van je vader te horen dat hij uitgelachen werd als oliepiemel. Door die brave buren die in zijn gezicht zo aardig tegen hem deden.”

Hij viel even stil. Toen zei hij: „Maar dat is natuurlijk niet het ergste. Het ergste is dat mijn vriend mij dit verhaal meende te moeten vertellen. Het leek hem wel grappig voor mij.”

Ik kuchte. 2016 was écht begonnen.