Lof voor een alawitische grootvader

Een reconstructie van het leven van haar alawitische grootvader heeft deze Nederlandse schrijfster vervlochten met interviews en reisimpressies. Alawieten hadden het in Turkije zwaar te verduren.

Alawieten bezoeken de tombe van de heilige Karacaahmet in Istanbul Foto AP/Murad Sezer)

Alawitische Arabieren moesten jarenlang net als de Turken in het Osmaanse leger dienen. Daar werden ze vaak als tweederangs burgers beschouwd. Het is een weinig bekende geschiedenis, die opgedist wordt in De vergeten geschiedenis van mijn grootvader Sulayman Hadj Ali van Meltem Halaceli.

Het boek van deze Nederlandse schrijfster en arabiste is een waardig eerbetoon aan haar eigen Arabisch alawitische grootvader die onder zware omstandigheden in het Osmaanse leger (1912-1922) diende: in Anatolië, Gallipoli, Syrië, Palestina en Egypte. Daarnaast beschrijft het ook de geschiedenis van de alawitische godsdienst.

Deze religie kwam in de negende eeuw voort uit de sji’itische islam in Irak, maar werd door veelvuldige onderdrukking en vervolging door haar aanhangers bij voorkeur geheim gehouden. Speculaties over het ‘vermeende’ geloof van de Alawieten kwamen dan ook al gauw in omloop, met als belangrijkste aantijging dat de alawitische Arabieren zouden afwijken van datgene wat in de orthodoxe soennitische islam geoorloofd is.

Beschuldigingen

Om aan die beschuldigingen te ontkomen, verkondigden alawitische religieuze leiders in de twintigste eeuw dat zij tot de jafari – een religieuze stroming binnen het sji’isme – behoorden. Inmiddels zijn ze als zodanig erkend, maar de soennieten blijven hen als ketters zien. Volgens extremisten is het zelfs geoorloofd om Alawieten op grond van hun geloof te vermoorden, vandaar dat ze ook doelwit zijn van IS.

In de loop der eeuwen ontwikkelden Alawieten een overlevingsmechanisme, waarbij zij hun ware geloof in een vijandige omgeving verbergen door te veinzen (taqiya) dat zij dezelfde religie aanhangen als die omgeving.

Na de stichting van de Turkse republiek door Atatürk in 1921 werden Arabisch-sprekende bewoners van het nieuwe Turkije niet alleen gewantrouwd vanwege hun vermeende disloyaliteit, maar ook onderworpen aan verregaande assimilatieprogramma’s en, naar verluidt, bedreigd met deportatie naar Oost-Turkije en Syrië. Dit alles ondanks het feit dat diezelfde alawitische Arabieren jarenlang loyaal hun dienstplicht hadden vervuld onder de Ottomaanse sultans.

De regerende Turkse pasja’s en later ook Atatürk hadden geen hoge dunk van Arabieren, ook omdat zij hen van verraad betichtten door hun overstap naar de geallieerden tijdens de Eerste Wereldoorlog. Arabieren in Groot-Syrië wilden echter weinig anders dan wat Atatürk nastreefde: een natiestaat gebaseerd op taal of etniciteit. Anders dan de Turkse republiek, waren de nieuwe Arabische landen niet onafhankelijk geworden, omdat zij bezet werden door de Franse en Britse mandatarissen. Desondanks bleef het wantrouwen jegens de Arabieren.

Etniciteit

En dat was dus ook te merken binnen het leger, waar grootvader Sulayman Hadj Ali in diende. Naarmate de oorlogsjaren in Anatolië aan het begin van de jaren twintig voortduurden, begonnen hoge Turkse officieren, gelieerd aan de nationalistische Jong-Turken steeds vaker onderscheid te maken tussen dienstplichtigen op grond van etniciteit. Op de Arabische divisies werd steevast neergekeken.

Halaceli beschrijft hoe moeilijk het voor haar grootvader was om zomaar over te schakelen van loyaliteit aan de sultan naar trouw aan de nieuwe seculaire Turkse republiek, oftewel van respect voor religie naar secularisme.

Die grootvader komt naar voren als een zeer vrome man, die dankzij zijn geloof moeilijke omstandigheden kon doorstaan. Als kind was hij al geïnteresseerd in geschiedenis en hield hij ervan te luisteren naar de verhalen van ouderen. Als een van de zeer weinig opgeleide soldaten kon hij lezen en schrijven. Tijdens zijn dienstplicht kreeg hij oog voor de architectuur in de door hem bezochte steden, en begon hij zich te interesseren voor reizen. Hij was trots op de lange lijst plaatsen die zijn divisie had bezocht. Als veteraan genoot hij veel aanzien in de gemeenschap van Adana, in Zuid-Turkije, waar hij godsdienstonderwijzer werd.

Meltem Halaceli’s boek raakt een gevoelig punt waar het het hedendaagse Turkije betreft. Alles wat ook maar enigszins zweemt naar kritiek op Atatürk en ‘de Turken’ wordt doorgaans fel van de hand gewezen. Zo liet Halaceli’s vader een eerdere vertaling in het Turks maken van de memoires van Sulayman Hadj Ali. Hierin bleken bepaalde stukken niet vertaald of ideologisch anders ingekleurd, omdat ze konden worden gezien als kritiek op de stichters van de republiek.

Het boek van Meltem Halaceli is geen letterlijke vertaling van haar grootvaders memoires, maar een goed leesbare bewerking daarvan, vervlochten met aanvullingen uit interviews, literatuurstudie en reisimpressies uit de regio waar zijn leven zich heeft afgespeeld. Op die manier heeft ze de wortels van haar verleden en dat van veel Arabische Alawieten in hedendaags Turkije herontdekt. Het resultaat is een historisch waardevol document.