Briljante strips van Olivier Schrauwen en Richard McGuire, en een moslima als superheld

In Frankrijk wordt het stripalbum van het jaar gekozen. Er zitten briljante boeken tussen. Met olifantswormen, onzekere pubers en een islamitische superheldin.

In december 1947 stapt de jonge Arsène Schrauwen, de opa van Olivier Schrauwen, in Antwerpen aan boord van een schip dat hem naar ‘de kolonie’ brengt. In deze niet nader genoemde Afrikaanse kolonie toont zijn maniakale neef Roger, architect, hem een maquette voor een wanstaltige, megalomane stad van de toekomst, te bouwen in niemandsland. Arsène raakt geheel in dit project verstrikt.

Arsène Schrauwen van Belgische tekenaar Olivier Schrauwen is één van de veertig genomineerde boeken voor de prijs van Album van het Jaar op het stripfestival van Angoulême, het belangrijkste Europese stripfestival. De Frans stripmarkt, waar de jury uit put, is volwassen en internationaal georiënteerd, dus de nominaties voor de belangrijkste Europese stripalbumprijs vormen een goede graadmeter voor het huidige niveau.

De meeste Franse nominaties blijven helaas buiten het zicht van de Nederlandse lezer, maar tot het segment strips dat wel hier in het Nederlands en Engels verkrijgbaar is, behoren niet te missen strips als Hier van Richard McGuire en Kunnen we het niet over iets leukers hebben? van Roz Chast. Dat laatste boek, een schitterend stripbiografie van de ouders van de tekenaar, kreeg in deze krant al vijf ballen toebedeeld toen het in 2014 in het Engels verscheen. Ook het tweede deel van De Arabier van de toekomst van Riad Sattouf, waarvan vorig jaar het eerste deel de prijs kreeg, is genomineerd. Terug op de lijst zijn ook Fiona Staples en Brain K. Vaugh met Saga, dit keer met deel 4 van hun baanbrekende sciencefictionserie.

De in het Engels publicerende Belg Olivier Schrauwen (1977) is voor de derde keer genomineerd. En terecht, want de fictieve stripbiografie van zijn opa onderga je als een adembenemende visuele trip. De pagina’s, afwisselend gedrukt in nostalgische rode en blauwe inkt, ademen de sfeer van vooroorlogse krantenstrips. De meeste pagina’s bevatten zes regelmatige kaders met ronde hoeken, maar Schrauwen varieert geregeld. De minimalistische tekenstijl van Schreeuwen neigt, als hij gezichten leeg laat, geregeld naar gebruiksaanwijzingen of bouwtekeningen – niet vreemd in dit verhaal over een verknipte architect.

Erotische dromen

In het bizar-fantastische plot draait Arsène langzaam door, als hij door Roger aan zijn lot wordt in zijn villa. Er spookt alleen een onzichtbare ‘boy’ rond die hem bevoorraadt met flessen trappist en struisvogeleieren, zijn enige voedsel. Op de boot heeft de goedgelovige jongeman zich een diepe angst voor dodelijke ‘olifantswormen’ in het water laten aanpraten. Bevangen door de tropische hitte, hallucinaties en erotische dromen van Rogers vrouw Marieke komt hij zijn huis niet meer uit. Schrauwen verbeeldt zijn krimpende bewustzijn door Arsène te tekenen in steeds kleiner wordende ronde kaders. Tot hij in een punt verdwijnt.

Omdat Roger definitief is doorgeslagen krijgt Arsène de leiding over een barre tocht door de jungle naar de bouwplaats. Ondanks een overval door ‘luipaardmannen’ slaagt de reis en verrijzen de constructivistische bouwfantasieën van Roger. De bondige schrijfstijl – door Schrauwen zelf vertaald naar het Nederlands – met veel metaforen draagt bij aan de vervreemding.

Schrauwen zou een goede winnaar zijn, maar de competitie is groot en divers. Even briljant, maar onvergelijkbaar is de conceptuele strip Hier van Richard McGuire (1957). De Amerikaanse tekenaar springt een boek lang door de tijd, terwijl hij consequent vasthoudt aan één gezichtspunt. Hier lijkt even de geschiedenis van een kamer, waar steeds andere bewoners zich bewegen en de ruimte verschillend inkleden. Linksboven in het kader staat steeds een jaartal. Maar al snel mengt McGuire tijden en plakt hij een kadertje met een kat uit 1999 in het beeld van de kamer uit 1953. En dan is het huis weg en zie je het landschap voordat er gebouwd werd, in 1623, met een vrouw in roze jurk uit 1957 en dezelfde kat weer links en rechts in het beeld geplakt.

Die mix van tijden en rigide beperking van de blik blijft honderden pagina’s fascineren, ook omdat bewoners sprekend worden opgevoerd en er ultrakorte verhaaltjes opborrelen: van een Indiaans stel, een schilder en zijn muze, familieportretten op de bank tot een virtuele rondleiding in de 23ste eeuw. De vergankelijkheid is bijna tastbaar in dit uitzonderlijke boek.

Conventioneel, maar groots is het nieuwe boek van de Amerikaan Adrian Tomine (1974), een van de belangrijkste hedendaagse stripauteurs. Zijn Killing and dying, niet in het Nederlands verkrijgbaar, bevat zes korte literaire stripverhalen, die laten zien wat voor een geweldige verteller hij is. Met carveriaanse beknoptheid en souplesse en in een realistische tekenstijl schetst hij fases van streven en falen in het leven van doorsnee burgers. In het geestige Hortisculpture krijgt tuinman Harold het idee dat hij planten en sculpturen kan combineren tot nooit geziene kunstwerken. Jaren blijft hij proberen ze vergeefs aan de man te brengen, dagdromend van succes en wraak op zijn critici.

Moeder met een hoofddoek

In het titelverhaal probeert een stotterend dertienjarige meisje haar ouders te overtuigen dat ze stand-up comedian kan worden. Haar moeder moedigt haar aan. De vader is cynisch en vindt het ‘zeker nu’ geen goed idee. In die woorden, een onuitgesproken tragedie, zit de klap die dit verhaal geeft. Plots draagt de moeder een hoofddoek en loopt ze met een stok. En dan is ze weg, terwijl vader en dochter blijven kibbelen over stand-up. Het lukt Tomine in elk verhaal om op deze beklemmende wijze de vluchtigheid van het bestaan op te roepen.

Aangrijpend is het autobiografisch Calling Dr. Laura van Nicole J. Georges (VS, 1981), waarin een vrouw ontdekt dat haar vader niet zo dood is als haar moeder haar sinds haar derde voorhield. Het opzettelijke tweedimensionale tekenen en de afstandelijke toon creëren juist het tegenovergestelde: diepgaand en gevoelvol drama. Nog veel subtieler, met weinig meer dan korte dialogen en figuurtjes die alleen uit contouren bestaan vertelt Anders Nilsen over hoe hij rouwt om zijn gestorven vriendin, in The End.

Wel in het Nederlands verscheen De worstelrepubliek van de Fransman Nicolas de Crécy (1966), van wie uitgeverij Scratch eerder al Dagboek van een spook uitgaf. Zijn nieuwste boek is een absurdistische variant op het maffiagenre, waarin een pianospelende pinguïn, wandelende hoofden en moordzuchtige en mal verhaal vol achtervolgingen vormen. Een andere, aardige genrevariatie is Nimona van Noelle Stevenson, waarin een poezelig ogend, maar moordzuchtig meisje als sidekick van de slechterik alle regels van de faire strijd overtreedt.

Stijlvast zijn onder meer de sciencefiction in Letter 44 van Alberto Jiménez Alburquerque en Charles Soule en de grove en duistere horror in Outcast, de nieuwe serie van Robert Kirkman, de maker van de wereldwijde hit The Walking Dead. Het meest interessante is de poging tot genrevernieuwing in Ms. Marvel van schrijver G. Willow Wilson en tekenaar Adrian Alphona. De ongetwijfeld commercieel gemotiveerde keuze voor een nieuwe, islamitische superheldin pakt goed uit. Het eerste deel van haar avonturen (al uit 2014) barst van de kleine grapjes en geestige observaties en wordt met veel vaart verteld. Tot haar verbijstering heeft de jonge Makala plots ongekende vermogens. Lastiger nog dan de ruzie met haar strenge ouders van Pakistaanse komaf, veroorzaakt door haar stiekeme gedrag, zijn haar problemen om die superkrachten onder controle te krijgen. Zo merkt ze bijvoorbeeld dat bij een superheldenoutfit geen ondergoed is inbegrepen, dus dat pak jeukt als een dolle. Of zoveel lichtvoetigheid bekroond wordt, blijkt zondag 31 januari, bij de prijsuitreiking.