Kredietcrisis als absurde komedie

Misschien was een regisseur van absurde slapstickfilms als Anchorman nodig om de oorzaken van de kredietcrisis voor een breed publiek vatbaar te maken? Want behalve fraude, arrogantie en hebzucht was een belangrijke factor domheid. Dat is een conclusie in Adam McKays The Big Short, die vijf Oscarnominaties in de wacht sleepte. De tragikomedie, gebaseerd op bestseller The Big Short: Inside the Doomsday Machine, gaat over buitenstaanders op de financiële markten die vroeg zagen dat de o zo stabiele Amerikaanse huizenmarkt in zou storten. En daar gebruik van maakten.

Vanaf de eerste minuten van The Big Short wordt de economische leek gerustgesteld door de gladde verteller/bankier Jared Vennett (Ryan Gosling): „Ik gok dat de meesten onder jullie nog altijd niet echt weten wat er gebeurde? Je hebt een soundbite die je herhaalt om niet al te dom over te komen, maar echt?” Gosling haalt vervolgens blondines in bubbelbaden, kinderspelletjes en chef-koks boven om termen als CDO’s (collateralized debt obligation) te verduidelijken. Klinkt goedkoop, maar maakt de droge materie naast bevattelijk vaak ook hilarisch.

Nog beter gevonden dan deze intermezzo’s, is dat The Big Short geregeld voelt als een goede documentaire: iedereen kent de dramatische afloop, maar door te praten met (al dan niet fictieve) betrokkenen, krijg je inzicht in hoe het zo ver kon komen. Meer dan een biografisch relaas, bestaat de film uit onderzoek en ‘veldwerk’ van de geportretteerden. De autistische cijferinterpretator/hardrockliefhebber Michael Burry – een geweldige Christian Bale – die als eerste ontdekte dat er iets niet klopte en begon te speculeren tegen de huizenmarkt. De getraumatiseerde hedgefondsmanager Mark Baum (Steve Carell) die met zijn team de banken een hak wil zetten. En twee jonge financiële honden die een buitenkansje spotten, geholpen door ex-trader/zadenfetisjist Ben Rickert (Brad Pitt).

Sympathie voor deze figuren voel je amper, je beseft dat ook zij geld hebben verdiend over de rug van anderen. Bovendien geeft de nerveus ronddartelende camera onvoldoende tijd hen echt te introduceren: tussen alle economische en biografische informatie wordt ook een tijdsbeeld geschetst en is er aandacht voor het echte slachtoffer van de crisis: de gewone man. Maar die neiging tot information overdrive verhindert niet dat je met open mond meeleeft, en na twee uur beseft dat, als de gevolgen niet zo tragisch waren, de kredietcrisis inderdaad een absurde klucht was.