Haenchen laat klank Kamerkoor volop stromen

In de serie ‘Big to Basics’ van het Nederlands Kamerkoor keren dirigenten uit de symfonische wereld terug naar het fundament van de westerse muziek, de meerstemmige vocale muziek. Als eerste dirigent werd Hartmut Haenchen (72) aangetrokken. Zondag leidde de veteraan het koor in het Arnhemse Musis Sacrum.

Haenchen heeft vaker met koor gewerkt, zowel als leider van De Nederlandse Opera als met het NKK, toch is hij een atypische dirigent voor het koor – en dat had een uitstekende uitwerking op de zangers. Waar veel koordirigenten druk gesticuleren om de plaatsing van medeklinkers aan te geven, leek Haenchen het als zijn primaire taak te zien de klank te laten stromen. De balans kon haast niet beter. Haenchen, begonnen als koorknaap in het Dresdner Kreuzchor, begon met de Bach-motetten Lobet den Herrn en Jesu, meine Freude. Natuurlijk werd de barokke frasering niet ineens overboord gegooid, toch hoorde je ook vlagen van Bach van voor de opkomst van de historische uitvoeringspraktijk, een volvette klank en romantische bogen, wat tot een prettige botsing van stijlopvattingen leidde. Nog zo’n voorbeeld daarvan was de wijze waarop de koraalmelodie in Gute Nach vibratorijk op cello werd begeleid. Enige misser: de delen die in kleine bezetting werden gezongen waren wankel.

Ook in het programma zelf was contrast ingebouwd: na de pauze klonken Zoltan Kodály’s Mátrai képek, over het leven in de Hongaarse bergen, en de vrolijke Liebeslieder Walzer. Dat is Brahms-light, maar werd met een overtuiging gebracht alsof het een van zijn beste werken betrof.