Gevlucht zijn, dat is niet de enige moeilijkheid hier

De Regenboog Groep huisvest twintig vluchtelingen. Ze zijn extra kwetsbaar. Omdat ze homo zijn, bijvoorbeeld.

Gebiologeerd en met grote ogen staart de Oegandese Moses Walusimbi (33, kippenboer) naar de breedbeeldtelevisie aan de muur. Vrouwen in kittige pakjes stappen op de maat van een Britney Spears-klassieker over het podium. Zwoel kijken ze in de camera. Ze veinzen sexy glimlachjes. „Hit me baby one more time.” Walusimbi zingt het uit volle borst en steekt zijn vuist in de lucht.

Of hij thuis in Oeganda ook zo luid meezingt? „Nee, als je je in Oeganda vrouwelijk gedraagt, denken ze meteen dat je homo bent.” „En homo’s...” – hij valt stil en staart naar zijn schoenen – „...worden in mijn land in het beste geval opgesloten.”

Sinds begin dit jaar woont Walusimbi, homoseksueel, in een groot huis in het Amsterdamse Westerpark. Dat huis is een initiatief van de Regenboog Groep, een stichting die opkomt voor kwetsbare Amsterdammers. Het biedt onderdak aan ruim twintig voormalige vluchtelingen met een verblijfsvergunning, uit tien verschillende landen. Allemaal wachten ze op een eigen woning in Amsterdam.

Hier wonen extraverte Jamaicaanse homomannen samen met zwijgzame ingetogen Eritrese vrouwen. Hier delen een Syrische advocate, een Iraakse kapper, een Syrische arts, een Jamaicaanse accountancystudent en een politieagent uit Trinidad en Tobago de huiskamer. Moslims, christenen, atheïsten.

Ze maken deel uit van een grotere groep statushouders die wacht op een woning in Amsterdam. In 2016 wil de gemeente voor 2.400 statushouders een woning vinden. Dat is een pittige opdracht, helemaal als je in ogenschouw neemt dat de afgelopen drie jaar samen minder dan 1.700 vergunninghouders een woning kregen toebedeeld.

Chulah Berkowitz, woordvoerder van de Regenboog Groep: „Dit zijn allemaal kwetsbare mensen. Sommige mannen en vrouwen werden mishandeld. En de homoseksuele mannen werden gediscrimineerd. De gemeente vroeg ons of we hen op konden vangen. Ze behoren tot onze doelgroep.”

Berkowitz denkt dat de groep ongeveer zes maanden in het pand kan wonen. „Daarna hebben ze allemaal, als het goed is, hun eigen woning gekregen.”

Altijd bonje in Jamaica

Botst dat eigenlijk niet, al die verschillende culturen en geloven in één huis? Zo op het eerste gezicht niet. Iedereen groet elkaar vriendelijk, af en toe wordt samen eten gemaakt. Er wordt gelachen, en soms een spelletje gespeeld op de computer. De communicatie met de Eritrese vrouwen verloopt wel wat stroef, zegt de lange Jamaicaan Dane (47): „We laten iedereen in zijn waarde.”

Ook zijn landgenoten Terry (22) en Adrian (25) zijn tevreden met hun nieuwe onderkomen. Terry: „Het is een mooie plek hier.” Moses: „Ja, en veilig!” Ruzie? Dane: „Nee, nooit.”

Net als Moses verlieten de drie Jamaicanen hun land omdat ze als homo werden gediscrimineerd. In Jamaica was het altijd bonje. Terry: „Ik was niet veilig. Als je homo bent, is de gemeenschap tegen je. Mijn moeder zei dat ik ziek was, omdat ik op vrouwen val.” Dane: „Ja, op straat schelden ze je uit zodra ze weten dat je homo bent: Battimaaaaaaaaaaaaan.” Dane wil trouwen in Nederland, maar dan moet hij eerst wel de ware vinden.

De Jamaicanen en de Oegandees hebben niet door dat ze van een afstandje worden gadegeslagen. Aan de keukentafel zitten de Eritrese Hani Ghirmay (18), Nazret (18) en Fithawit (23). Een mobieltje speelt muziek. De vrouwen staken in een bootje de Middellandse Zee over en kwamen aan op het Italiaanse eiland Lampedusa. Via Italië en Duitsland bereikten ze Nederland. Wat hen kwetsbaar maakt? De vrouwen rollen met hun ogen. Zijn ze eenzaam dan? Ze schudden hun hoofd.

Liever heeft Fithawit het over haar toekomst: „Ik ben hier meer dan een jaar. Ik zou na een half jaar een woning krijgen. Ik ben kort geleden pas begonnen met Nederlandse les. Hoe kan ik zo nou dokter worden?” Op haar huisgenoten heeft ze weinig aan te merken.

Daar denkt Imad (38, kapper) uit Irak anders over. De haren in de wasbak, het water op de vloer, lege wc-rolletjes die blijven hangen op toilet, volle vuilniszakken in zijn kamer: de kleine Irakees is er helemaal klaar mee. „Ik wil mijn eigen woning met privacy. Ik wil naar Arabische televisie kijken en niet die programma’s waar die Jamaicanen naar kijken.”

Gewoon even gayprogramma’s

Ja: die televisie, dat is wel een beetje een dingetje, moet ook Brenton (24, politieagent) uit Trinidad en Tobago bekennen. Soms wil hij gewoon even gay-programma’s kijken, maar dat kunnen de Eritrese vrouwen vast niet waarderen. Hij gniffelt beschaamd.

Daar heeft Moses Walusimbi geen last van. Hij heeft sinds enige tijd een vaste relatie, een man uit Oeganda. Moses is gelukkig in Nederland. Hij vindt het fijn dat hij eindelijk zichzelf kan zijn, iets nieuws voor hem. Dat hij afgelopen zomer tijdens de Gaypride langs de grachten stond, noemt hij een hoogtepunt. Mensen die juichen voor boten met dansende homo’s, dat kennen ze in Oeganda niet. Eerder stokslagen, of een enkeltje naar de cel. Het moment ontroerde hem, zegt hij. „Voor het eerst in mijn leven was ik trots op wie ik ben.”