Filmfestival moet weer bruisen van ambitie

Het IFFR gaat gebukt onder een gebrek aan ambitie, vindt oud-medewerkster Tara Lewis.

Tijdens mijn studie had ik het mooiste bijbaantje van de wereld. Popcorn verkopen en kaartjes scheuren in Cinerama. Het jaarlijkse hoogtepunt was zonder twijfel het filmfestival (IFFR). De voorpret begon al in december. Feestdagen voorbij? Geen probleem, IFFR kwam er nog aan. Twee weken in het jaar waren wij het middelpunt van de internationale filmwereld. Van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat was het één hectische bende. Ik vond het fantastisch. In elk vrije dagdeel propte ik zoveel mogelijk films om me na het werk volledig in het uitgaansleven te storten. Rotterdam snakte naar die periode waarin de stad op zijn kop stond. De binnenstad kwam tot leven. Het anders zo eenzame Schouwburgplein transformeerde tot het epicentrum van de stad.

Dat was tien jaar geleden. Elk jaar zie ik het festival een klein stapje terug doen. Minder films, minder thema’s.

Sommige fans vinden dat juist zo charmant aan Rotterdam en zien het zo: het IFFR is een beetje het rare jongetje uit de klas. Zo'n stille waar niemand echt veel van verwacht, maar plotseling verrassend leuk uit de hoek komt.

Ik zie vooral een gebrek aan ambitie. Een gebrek dat je ook terugziet in de levendigheid van het randprogramma. Zelfs het slotfeest wilde vorig jaar, ondanks behoorlijke drukte, niet echt van de grond komen.

Natuurlijk kan Rotterdam niet wedijveren met Berlijn of Toronto. Maar er was een tijd waarin Roffa eind januari gewoon the place to be was. Dat lag niet aan de sterren, maar aan de allure en reputatie van het festival. Laagdrempeligheid en de benaderbaarheid van acteurs en regisseurs in een uit zijn voegen barstend Hotel Central gaven IFFR zijn unieke karakter.

Natuurlijk is het crisis geweest en zijn de tijden veranderd. Maar aan de andere kant: Rotterdam staat internationaal op de kaart. De binnenstad heeft haar treurnis eindelijk van zich afgeschud. Betere randvoorwaarden zijn er nauwelijks.

De laatste twee directeuren slaagden er niet in het festival naar een hoger niveau te trekken. Bero Beyer, komt met zijn staat van dienst als filmproducent in de filmwereld beter beslagen ter ijs. IFFR zou deze kans moeten grijpen om met het festival relevantie af te dwingen.

De filmindustrie verwacht veel van Beyer. Zijn presentatie in Cannes werd door De Filmkrant „een verademing” genoemd, vergeleken met de houterige indruk die andere Nederlanders in internationale functies vaak achterlaten. Zijn stempel kan hij dit jaar nog niet op het festival drukken, daarvoor was zijn aantreden op 1 augustus te kort dag. Maar ik heb er vertrouwen in dat hij mij de komende jaren weer ouderwets gaat laten genieten en IFFR weer wordt wat het hoort te zijn: de hunk van de klas.