Eer voor Tuschinski, de Rotterdamse filmpionier

Er komt een monument voor de vader van de bioscoop.

Abraham Tuschinski voor zijn Rotterdamse filmpaleis in de jaren dertig. Foto Hollandse Hoogte

Abraham Tuschinski moet hoognodig worden herdacht in Rotterdam. Maar voor de meeste Rotterdammers is dat een hoogst eigenaardige gedachte. Want wie aan Tuschinski denkt, denkt aan het uit 1921 daterende bioscooppaleis in Amsterdam, een van de mooiste filmtheaters ter wereld. Wat zou Rotterdam daarmee te maken hebben?

De kunstenares Anne Mercedes Langhorst heeft het al heel vaak moeten uitleggen sinds ze het idee kreeg een kunstwerk te laten verrijzen ter ere van Abraham Tuschinski. Zelf kende ze ‘s mans Rotterdamse geschiedenis niet, totdat haar vriend haar een jaar of twee geleden meenam naar een lezing over Tuschinski. Vanaf dat moment heeft het haar niet meer losgelaten. Ze ontwierp een lichtsculptuur die uiteindelijk 130 meter lang moet worden en van binnenuit kan worden belicht. Een locatie is al gevonden: de mistroostige muur van het spoorwegviaduct bij het plantsoen bij de Hofbogen. Een eerste impressie wordt tijdens het IFFR vertoond op de videowall in de Rotterdamse Schouwburg.

Abraham Tuschinski (1886-1942) was geen Rotterdammer van geboorte. Hij kwam uit de Poolse stad Lodz en behoorde tot de vele duizenden Joodse landverhuizers die hun geluk in Amerika wilden zoeken. Als beginnende twintiger reisde hij naar Rotterdam, met de bedoeling daar op de boot naar het land van de ongekende mogelijkheden te stappen. Maar in afwachting van die overtocht wilde hij niet stil zitten. In het oude centrum van de stad, in de Nadorststraat, Hij opende hij een logement voor mede-emigranten die eveneens op hun boot wachtten. Toen die onderneming succesvol uitpakte durfde hij een tweede onderneming te beginnen. In een leegstaand zeemanskerkje aan de Coolvest opende hij anno 1911 een bioscoopje dat de elegante naam Thalia kreeg. Hij was niet de eerste die brood zag in het nieuwe medium film. Maar andere exploitanten maakten er geen geheim van dat ze film als een tijdelijk verschijnsel zagen. Tuschinski zag dat anders. In plaats van de bedompte zaaltjes met ongemakkelijke stoeltjes waar zijn concurrenten hun publiek ontvingen, bood hij zo veel mogelijk zitcomfort in een fraai gedecoreerde zaal. Geef de mensen een gerieflijk avondje uit, luidde zijn redenering – dan komen ze graag terug. Of, zoals het in zijn advertenties stond: „Ruime frissche zaal. Ruime zitplaatsen. Uitstekende ventilatie”.

Zo vond Tuschinski zijn succesformule. In totaal bouwde hij in de jaren twintig en dertig vier bioscooptheaters in Rotterdam. De grootste van allemaal was het Grand Théâtre aan de Pompenburgsingel. En boven dit theater waren zijn woonhuis en zijn hoofdkantoor gevestigd. Daar runde hij zijn imperium, inclusief het Amsterdamse theater dat – als enige – de naam Tuschinski droeg.

Dat hij toch zelden met Rotterdam wordt geassocieerd, heeft te maken met de oorlog. Tijdens het bombardement van mei 1940 werden alle vier bioscopen verwoest. Zelf werd Tuschinski opgepakt, naar Westerbork getransporteerd en tenslotte in Auschwitz vermoord. Na de oorlog was er nog maar één spoor van hem over – en dat leidde naar de beroemde bioscoop in Amsterdam. Toen Hotel New York bij de opening, in 1993, een zaal naar Tuschinski noemde, wekte dat dus enige bevreemding.

Langhorst raakte onmiddellijk begeesterd door Tuschinski’s rol in haar stad. „Wat mij vooral aansprak, was zijn creatieve ondernemerschap. Ik herken dat; als kunstenaar ben ik erop gericht niet af te wachten tot ik een opdracht krijg, maar mijn eigen opdrachten te genereren.”

Of het monument er ook echt zal komen, hangt af van de financiering. Uiteindelijk gaat het twee ton kosten. Het initiatief wordt gesteund door het Centrum voor Beeldende Kunst en Museum Rotterdam, maar de kunstenares zoekt nog meer subsidiegevers. Ze hoopt dat in de loop van dit jaar aan de installatie van het monument kan worden begonnen.