Een duivenveertje bij het afscheid van Aristide von Bienefeldt

Een collega die ik graag gehoorzaam in literaire zaken, smste mij over Late roem van Arthur Schnitzler (1862-1931). Een prachtig boek en echt iets voor mij. ‘Ik stond te kijken hoe S het heel licht weet te houden, ogenschijnlijk een niemendalletje, en tegelijk heel subtiel iets groters voelbaar maakt.’ Ik voelde me dadelijk schuldig, want ik heb een paar maanden geleden de eerste pagina’s gelezen. Die waren geweldig. Een ex-schrijver wordt bezocht door een fan van zijn decennia oude bundel Omzwervingen, waarna in een notendop het lot van de vergeten schrijver uit de doeken gedaan: ‘In het begin hebben we genoeg aan ons eigen plezier in het werk en aan de belangstelling van de enkeling die ons begrijpt [...] En dan komen de teleurstellingen! De afgunst van de talentlozen, de lichtvaardigheid en kwaadwilligheid van recensenten en bovendien de enorme onverschilligheid van de massa. En je wordt moe moe moe.’ De fan neemt de schrijver mee naar zijn leeskring, waar iets pijnlijks voorvalt. Dat laatste weet ik van de achterflap van Late roem. Ondanks mijn bewondering was het boek op een stapel in een kast beland, net onder of boven Als water in de woestijn van Ida Simons.

Eergisteren zou ik verder lezen, maar toen bleek Aristide von Bienefeldt (1959) dood.

Ik schreef een van mijn eerste recensies over diens debuut Bekentenissen van een stamhouder, dat in 2002 verscheen. Zelden las ik zoveel vrolijke smeerpijperij: de ene na de andere scène vol anale seks, met diverse hulpstukken en wegsijpelende vloeistoffen. Ik onderstreepte onder zeer veel meer ‘Hij was jaloers op de courgette’. Bij alle erin voorkomende vormen van vereniging was het vooral een boek over eenzaamheid. Twee dagen na publicatie van de recensie (‘Fenomenologie van de egoneuker’) kreeg ik post: een op een witte kaart geplakte duivenveer, verwijzend naar de (onschuldige) rol van de vogel in het boek. Verder stond er alleen ‘24 juni / Werkmansgat / 2002’ en achterop ‘met de complimenten van Aristide von Bienefeldt’.

Na de bespreking van Een beschaafde jongeman (2003), ook een boek waar in de seks de liefde langzaam verloren gaat, volgde weer een kaartje, nu aan ‘heer Fortuin’. Op het Boekenbal bleek Von Bienefeldt een hartelijke kleine kale man met pretoogjes. Helaas ook een schrijver die maar niet echt doorbrak. Deze week stuurde uitgeverij Marmer de novelle Hotel Malinconia naar de pers – het blijkt nu dus Von Bienefeldts zwanenzang te zijn. Hij neemt afscheid met een verhaal over een oudere dame in Parijs (een muze, volgens sommigen), die plotseling verdwijnt – ongeveer zoals de schrijver er nu zelf ineens niet meer is.

In gedachten zie ik Aristide von Bienefeldt thuis opgewacht worden door een beeldschone jongeman die hem vertelt dat hij zo’n bewonderaar van hem is. Waarna we het vervolg van de ontmoeting met een gerust hart aan de verbeelding van Aristide von Bienefeldt overlaten.