De medicijnenmaffia knoeit voort

De farmaceutische industrie staat bol van de schandalen. Een lange aanklacht vol pijnlijke details onthult vele misstanden. Hoogtijd voor onafhan- kelijke onderzoeksinstituten.

Foto iStock

Van tijd tot tijd verschijnt er een medisch hoogleraar op de Nederlandse televisie die enthousiast vertelt over de fantastische mogelijkheden van nieuwe geneesmiddelen tegen kanker. Soms speculeert zo’n hoogleraar voor de camera over de mogelijkheid dat nieuwe middelen kanker binnen een jaar of twintig tot een chronische in plaats van een vaak fatale ziekte maken. Dergelijke betogen passen in een populair beeld, namelijk dat van het medicijn als wondermiddel.

Wondermiddelen zijn in werkelijkheid echter zeldzaam. Zo hebben alle kankermiddelen die de afgelopen twintig jaar – met veel bombarie – werden geïntroduceerd in totaal gezorgd voor gemiddeld enkele maanden levenswinst. Geneesmiddelen verlengen levens, verminderen klachten, onderdrukken symptomen en remmen ziekten, maar genezen zelden volledig. En vaak doen ze helemaal niets.

Desondanks geeft de wereld jaarlijks honderden miljarden dollars uit aan medicijnen, die vaak ook nog eens zulke ernstige bijwerkingen hebben dat er mensen aan sterven. Hoe is dat mogelijk? Dat komt doordat farmaceutische bedrijven hun winstgevende medicijnen pushen, ofwel ze ons op alle mogelijke manieren in de maag splitsen. Dat is althans de stelling van de Deense biochemicus en hoogleraar Peter C. Gøtzsche (1949) in zijn boek met de veelzeggende titel Dodelijke medicijnen en georganiseerde misdaad.

Zijn boek is een lange aanklacht tegen Big Pharma, zoals de miljardenspelers in de farmaceutische industrie worden genoemd. Bijna vijfhonderd pagina’s lang beschrijft Gøtzsche de wandaden van Big Pharma, die onderzoeken manipuleert, (dodelijke) bijwerkingen verzwijgt, artsen omkoopt, medicijnen laat voorschrijven aan kwetsbare groepen en het publiek om de tuin leidt.

Terwijl Gøtzsche de ene horrorcasus aan de ander rijgt, deelt hij ook sneren uit aan toezichthouders die te veel door de vingers zien, wetenschappelijke tijdschriften die te makkelijk flauwekulstudies afdrukken, patiëntenverenigingen die mee lobbyen voor een medicijn en artsen die enthousiaste verhalen vertellen over medicijnen.

Pijnlijke details

De verhalen zitten vol pijnlijke details, zoals artsen die voor een royale vergoeding rollenspellen doen met marketingmensen om hun te leren hoe je andere artsen recepten kan laten uitschrijven. Met een geneesmiddel tegen de slaapziekte, dat aanvankelijk niet wordt gemaakt omdat deze patiënten doorgaans arm zijn, maar wel op de markt komt omdat het ook blijkt te helpen bij ontharen – een modeverschijnsel in welvarende landen. Met bijwerkingen die worden verstopt in dossiers van 250.000 pagina’s. Met spookschrijvers van Big Pharma die wetenschappelijke artikelen schrijven.

De grote lijnen zijn de al vaker beschreven schandalen. Het grootste daarvan is waarschijnlijk dat rond Vioxx, een ontstekingsremmer die alleen in de VS tienduizenden mensen de dood injoeg terwijl fabrikant Merck wist dat het ernstige bijwerkingen had voor hart en vaten. Vorig jaar nog flakkerde de affaire rond het antidepressivum paroxetine weer op: bekend was al dat jongeren na gebruik van het middel zelfmoord hadden gepleegd, een lang verzwegen bijwerking, maar nu bleek uit een heranalyse van de registratiestudies dat de voorgespiegelde gunstige effecten er nooit waren geweest.

Wat de schandalen vooral laten zien is hoe Big Pharma speelt met de statistiek om medicijnen eerst te laten registreren en die vervolgens voorgeschreven te krijgen. Voor registratie moeten medicijnen worden getest in klinische studies – zogeheten RCT’s – waarbij een groep proefpersonen het middel toegediend krijgt en een controlegroep een placebo. Als de eerste groep het op een punt beter doet dan de tweede, werkt het middel. De methode geniet in de wetenschap veel aanzien en werkt ook goed als de onderzoekers zich aan alle regels houden.

Bij farmaceutisch onderzoek wordt met veel regels de hand gelicht. Als er bij de totale groep geen effect wordt gevonden, blijven onderzoekers doorgaan totdat het wel ‘raak’ is. En wat is raak? ‘Stel dat iemand een geweer afvuurt op een aantal doelen die elkaar deels overlappen. Zelfs wanneer hij een slechte schutter is, bestaat er een goede kans dat zijn kogel inslaat in de buurt van een roos’, schrijft Gøtzsche treffend.

In zijn beschrijvingen van de statistiek is Gøtzsche zeer overtuigend. Hij toont aan hoe in de door hem opnieuw geanalyseerde onderzoeken is geknoeid door enkele zieke patiënten uit de tabellen te verwijderen. Terecht zet hij vraagtekens bij de criteria voor goedkeuring: een kankermiddel geldt als werkzaam wanneer de tumor krimpt, ook als door het middel meer mensen overlijden.

Zijn beweringen worden gestaafd door documenten uit rechtszaken en wetenschappelijke publicaties. Dat maakt zijn beschuldigingen geloofwaardig en laat zien dat zijn kritiek op de medicijnenproductie breed wordt gedeeld in de medisch-wetenschappelijke wereld. Gøtzsche vervult daarbij de noodzakelijke rol van de heraut die met klaroenstoten aan een groot publiek laat horen wat al decennia valt te lezen in vaktijdschriften.

Helaas produceert Gøtzsche daarbij ook schrille tonen. Het is inderdaad walgelijk dat bedrijven anticonceptiemiddelen testen op arme, onwetende vrouwen in Mexico en Haïti, maar zijn vergelijking met nazipraktijken vertroebelt de discussie. Hetzelfde geldt voor zijn vergelijking van farmabedrijven met criminele organisaties, die een complot hebben gesmeed met toezichthouders, artsen en wetenschappelijke tijdschriften.

In zijn betoog raakt Gøtzsche daardoor geregeld in de knoei. Er zijn ook schurken buiten Big Pharma, geeft hij toe, en integere mensen daarbinnen. Sommige tijdschriften zitten in de zak van Big Pharma, zo blijkt, maar andere zetten alles op het spel om de integriteit te bewaren. De ene keer laat een toezichthouder gemakkelijk een medicijn toe en de andere keer maakt hij of zij gehakt van een registratiestudie. Bovendien laat Gøtzsche ongenoemd dat er wel degelijk goede geneesmiddelen bestaan die vele levens hebben gered.

Overheidsgeld

Wat Gøtzsche negeert is dat Big Pharma uiteindelijk een rationele speler is in een systeem dat westerse samenlevingen zelf hebben opgebouwd. De terugtredende overheden hebben vanaf de jaren tachtig de ontwikkeling van geneesmiddelen steeds meer overgelaten aan de farmaceutische bedrijven die alleen willen investeren in ruil voor een hoge opbrengst. Medisch onderzoekers krijgen weinig of geen overheidssubsidies en zijn voor hun onderzoek overgeleverd aan Big Pharma, die meestal ook eigenaar blijft van de onderzoeksgegevens. Medische tijdschriften, maar ook toezichthouders krijgen daardoor vooral studies van de industrie aangeleverd en nauwelijks van onafhankelijke onderzoeksinstituten.

Wie dat wil doorbreken, zal de medicijnontwikkeling uit handen van Big Pharma moeten halen – bijvoorbeeld door universiteiten of non-profitinstellingen hiervoor een zak overheidgeld te geven. Gøtzsche lijkt in al zijn radicaliteit weinig optimistisch over de haalbaarheid van een dergelijke ‘revolutie’ en pleit voor voorlopige verbeteringen op onderdelen. Zo moeten alle onderzoeksgegevens openbaar worden, zodat onafhankelijke wetenschappers die kunnen analyseren. Nieuwe middelen moeten niet alleen tegen placebo’s worden getest, maar ook tegen bestaande middelen, om de toevloed van me too-pillen in te dammen. Het zijn allemaal prima voorstellen, die breed worden gedragen in de medische wereld. En die misschien een rem zetten op tv-optredens over wondermiddelen.