Amsterdammer v/h Jaar denkt alleen aan anderen

Nasir Higazi (70) werk zeven dagen per week vrijwillig met daklozen en vluchtelingen. Daarvoor kreeg hij een prijs.

Nasir Higazi, Amsterdammer van het Jaar, geeft zijn prijzengeld aan vluchtelingen en daklozen. „Ik heb het geld niet nodig.” Foto Mats van Soolingen

‘Ben je nou nog steeds aan het werk?” De vraag van zijn collega is niet beschuldigend, maar vol ongeloof. Want Nasir Higazi – net uitgeroepen tot Amsterdammer van het Jaar – is al sinds acht uur ’s avonds aan het werk. Nu is het twaalf uur ’s middags. Higazi (70) zegt niks terug. Want dat antwoord is er al, in de vorm van een rondleiding door daklozenopvang Blaka Watra: hier is altijd wel werk te doen.

Zondag kreeg Higazi de prijs – 1.500 euro – uit handen van de burgemeester in de Stadsschouwburg. Negen anderen (onder wie oprichters van een joods-islamitisch vriendennetwerk, redders van een drenkeling in de Herengracht) waren genomineerd door medeorganisator AT5. De titel is bedoeld voor Amsterdammers die een bijzondere bijdrage leveren.

Higazi (dikke snor, vriendelijke ogen) vluchtte in de jaren ’80 uit Iran naar Nederland. Daar was hij militair. Hier bouwde hij een nieuw bestaan op, had zijn eigen transportbedrijfje. Maar, vertelt hij, hij wilde iets terugdoen voor Amsterdam, voor Nederland, waar hij zo goed werd opgevangen. „Met open hart.” Dus sloot hij zich aan bij Blaka Watra, de daklozenopvang van De Regenboog Groep bij het Centraal Station. Wat hij daar doet? „Veel regelen.” Hier werkt hij zeven dagen per week als vrijwilliger, Higazi maakt dagen van twaalf uur.

Zijn takenpakket is zo groot als de sleutelbos die hij vasthoudt; voor alle deuren, opslagruimtes en hekjes in en rond het gebouw. Hij kookt, hij repareert, hij regelt warme kleren, hij tolkt. Higazi mag dan een stevig accent hebben, vind maar eens iemand die zeven talen spreekt. Van het Farsi tot Armeens. Hij kan dan ook prima communiceren met veel vluchtelingen, die hier óók overnachten. „Ik vertel ze dat ze nu in een democratie zijn. Dat er geen Assad meer is, geen Talibaan.”

Higazi adviseert de vluchtelingen hoe ze zich in Nederland het beste kunnen gedragen – wat volgens hem begint met de kleinste dingen, zoals wachten op het stoplicht, het leren van de taal. „Laat zien dat je correct bent”, zegt hij.

Ook adviseert hij de daklozen. Op een koude dag als deze komen er zo’n 160 langs, zestig daarvan kunnen blijven slapen. Higazi vertelt ze dat ze sterk moeten zijn, dat alcohol niet helpt en veel kapot maakt.

Als Higazi de kantine van de opvang inloopt, wordt hij van alle kanten begroet. Aan de tafels zitten zo’n dertig mannen en vrouwen, van alle leeftijden en verschillende afkomst. Plastic bekertjes koffie, er wordt gerookt. Bij de keuken hangt een pop met een snor aan de muur, bedrukt met ‘Chef Nasir’. Eerder werd zijn arm gebruikt als mal voor een standbeeld van ‘de aardige Amsterdammer’.

Trots laat hij de voorraden met eten zien, gedoneerd door een hotel en een advocatenkantoor in de buurt. En vraagt terloops of de journalist misschien ook wil helpen in de toekomst.

De rondleiding eindigt bij een speeltuin in de buurt, bij de Haarlemmer Houttuinen. Daar is hij ‘huismeester’. Hij ruimt lege drankflessen op, gooit resten van joints in de prullenbak, stuurt dronkenlappen weg. Wat hij met de geldprijs gaat doen? „Ik heb het geld niet nodig. Ik ga er spullen van kopen voor de vluchtelingen en de daklozen.” Hij loopt weer terug naar de opvang. Genoeg werk te doen.