Zet eens wat meer moderne kunst in het Rijksmuseum!

‘Het Rijksmuseum moet dicht.’ Met deze zin begint Maarten Doorman zijn studie De navel van Daphne over engagement en hedendaagse beeldende kunst. Wil hij werkelijk dat het museum sluit? Nee, het blijkt slechts ontruimd te moeten worden. Wat er nu in tentoongesteld wordt, dient plaats te maken voor hedendaagse beeldende kunst. Niet omdat die werkelijk beter is dan de oude spullen die er nu instaan, maar omdat hedendaagse kunst daar meer op zijn plaats zou zijn, aangezien ze over ónze samenleving gaat en niet over die van eeuwen geleden. De Rembrandts en Vermeers moeten maar naar elders verhuizen.

Het is een wat omslachtige manier om duidelijk te maken dat de hedendaagse kunst niet de plaats in de samenleving heeft die haar volgens Doorman toekomt. De provocatie komt niet echt aan. De stem van de hedendaagse beeldende kunst draagt niet ver en dringt nauwelijks door tot de samenleving, en als hij al wel wordt gehoord, wordt er niet naar geluisterd. Doorman weet dat ook wel, het is juist een deel van het probleem dat hij centraal wil stellen.

In De navel van Daphne vraagt hij zich af hoe het met het engagement in de kunst is gesteld nu de traditionele avant-garde is uitgeblust en het strovuur van het postmodernisme is gedoofd. Voor veel kunstenaars en de dampkring van curatoren die hen omringt is engagement, een erfenis van voorgaande eeuwen, bijna verplicht. Maar wat als niemand er belangstelling voor heeft, omdat kunst meer is dan een boodschap alleen? ‘Hoe kunnen dubbelzinnige kunst en ondubbelzinnig engagement […] ooit samengaan’, vraagt Doorman zich af.

De wortels van het hedendaagse engagement gaan terug tot de Romantiek, maar: ‘niet alleen de maatschappelijke autonomie van de kunstenaar stamt uit de tijd van de romantiek, ook de autonomie van de kunst zelf.’ Die autonomie leidde in de negentiende eeuw tot kunst omwille van de kunst zelf, de veel gesmade art pour l’art. Toch blijkt die minder onmaatschappelijk dan wel wordt gedacht. Soms bekruipt je bij lezing van De navel van Daphne het gevoel dat deze kunstenaars een groter en ingrijpender invloed op de samenleving hebben uitgeoefend dan hun sociaal en politiek bevlogen kunstbroeders. Doorman komt tot de slotsom dat het zonder de romantisch geïnspireerde autonomie van de kunstenaar niet gaat. ‘Hoezeer kunstenaars zich er in de afgelopen twee eeuwen ook tegen hebben verzet, steeds gaat het in de kunsten impliciet nog om vormen van expressie, om verbeeldingskracht, om het overschrijden van grenzen, om de kunstenaar […].’

Doorman beschouwt kunst vanuit het standpunt van de maker, volgt wat deze denkt, wil en doet; de ander, de toeschouwer, het publiek voor wie geëngageerde kunst bij uitstek bedoeld is, blijft buiten beeld. Hij redt de autonomie van de kunstenaar van de altijd wat simplistische verwijten van critici die vinden dat de kunst zich moet overgeven aan het engagement. Dat is een verdienste, net als het feit dat hij het engagement-debat van het begin tot heden in kaart heeft gebracht. Gelukkig bedient hij zich daarbij niet van de gewichtigdoenerige taal dat onder curatoren en kunsttheoretici verplicht schijnt te zijn, maar van helder, begrijpelijk Nederlands.