‘Wereld wordt naar beneden getrokken’

Ook Nederland zal worden geraakt door de steeds lagere groei in landen als China en Brazilië, zegt de nummer twee van de Wereldbank.

Een schoenenverkoper in Indonesië. Afnemende groei in landen als China, Brazilië en Indonesië is een grote bron van zorg voor de Wereldbank. Foto Adi Weda/EPA

In Nederland is de stemming over de economie opperbest. Maar hoe lang nog? De berichten over de wereldeconomie, waarmee Nederland zo verbonden is, worden steeds somberder.

De Wereldbank schroefde deze maand haar prognose voor wereldwijde economische groei voor 2016 met 0,4 procentpunt terug naar 2,9 procent. Dat is heel mager in vergelijking met de afgelopen jaren. „Het baart ons zorgen”, zegt de Indonesische econoom Sri Mulyani Indrawati, die de op een na hoogste positie bij de Wereldbank bekleedt. De risico’s dat de prognose verder wordt verlaagd, noemt ze „zeer, zeer groot”.

Als instelling die geld leent aan ontwikkelingslanden en opkomende economieën, merkt de Wereldbank effecten van de zwakke wereldeconomie onmiddellijk. Allerlei landen kloppen nu aan bij de bank voor steun. Indrawati, oud-minister van Financiën van Indonesië, was eerder deze week in Den Haag.

Haar grootste bron van zorg: afnemende groei in landen als China, Brazilië en haar eigen Indonesië. „De afgelopen jaren waren deze opkomende landen goed voor de helft van de mondiale economische groei. Nu zij het slechter doen, trekken ze de rest van de wereld mee naar beneden.”

Wat is er in deze opkomende landen aan de hand?

„Nog maar vijf jaar geleden was de toon optimistisch, in mijn eigen land en ook bijvoorbeeld in de BRICS (Brazilië, Rusland, India, China, Zuid-Afrika). De opkomende landen hadden de financiële crisis goed doorstaan, de BRICS richtten zelfs hun eigen ontwikkelingsbank op. Nu hoor ik vooral een nederige toon. De omstandigheden voor groei zijn een stuk slechter geworden.

„Er was de laatste jaren in de wereld veel goedkoop krediet beschikbaar. Dat kwam zeker ook door het beleid van de centrale banken in de VS, Europa en Japan. Zij verlaagden de rente tot rond de nul en drukten bovendien flink geld bij. Dat was om hun eigen economieën te redden, maar een flink deel van al dat extra geld vond zijn weg naar opkomende landen. Nu de Fed de rente verhoogt, vlucht het kapitaal weer weg.”

Die kapitaalvlucht uit opkomende landen – sinds medio 2015 stroomt er meer geld weg dan er binnenkomt – is een flink probleem, zegt Indrawati. Bedrijven in Aziatische en Latijns-Amerikaanse landen hebben royaal geld geleend tegen lage rentes. „De private schuld in opkomende landen is de laatste jaren enorm opgelopen, in landen als Indonesië en Maleisië zelfs geëxplodeerd. Maar nu het kapitaal wegtrekt wordt het financieren van die schulden steeds duurder.”

En dan is er de probleem China. De situatie in het grootste opkomende land raakt ook andere opkomende landen hard, zegt Indrawati. De Chinese economie maakt een moeizame transitie door. Het groeimodel dat is gebaseerd op export en investeringen loopt op zijn einde. Ervoor in de plaats moet meer binnenlandse consumptie komen. Indrawati: „Veel opkomende landen zijn zeer afhankelijk van China, de grootste importeur ter wereld van olie en ook van veel andere grondstoffen. Mede door de lage Chinese vraag zijn de grondstoffenprijzen gekelderd. Indonesië exporteert veel palmolie en kolen naar China. De Indonesische economische groei is teruggevallen van boven de 6 procent, naar 4,5 procent. Maar ook een land als Peru leunt erg op China.”

De boodschap van Indrawati aan elk van de opkomende landen: pas je eigen groeimodel aan. Het tijdperk dat iedereen door export kon ‘meeliften’ met China is voorbij. Regeringen moeten de binnenlandse vraag stimuleren en hervormen.

Moet de Wereldbank bijspringen nu het overal slechter gaat?

„Ja,landen vragen meer advies om hun economieën aan te passen, maar ze willen ook meer lenen. Landen als Mexico, Colombia waren al klanten bij ons, maar we krijgen ook verzoeken van olie-exporterende landen als Angola. Zij hadden de Wereldbank eerst niet nodig, vanwege de hoge olieprijs. Nu is dat anders. In de jaren vlak na de crisis leenden we het meest uit, zo’n 40 miljard dollar per jaar. Dat werd snel weer minder, maar inmiddels zitten we weer op 30 miljard. We moeten al ons beschikbare kapitaal aanboren. De limiet is in zicht.

„Daar bovenop komt de vraag uit de allerarmste landen, die gebukt gaan onder conflicten en klimaatverandering. We hebben dus alle steun nodig van donorlanden, inclusief Nederland.”

Zullen de problemen in de opkomende landen ook Nederland raken?

„Ja, dat denk ik wel. Geen land voelt het effect níét. Daarvoor zijn we te geglobaliseerd geraakt. Elk land heeft een andere economische structuur. Maar in algemene zin komt uit ons onderzoek dat 1 procent minder groei in de BRICS leidt tot 0,2 procent minder groei in de rijke landen. Het is geen populaire boodschap, maar het is goed als Europese landen buffers aanleggen op hun begrotingen.”