Column

Vroegtijdig talenten ontdekken van groot belang voor musea

Als een van de 585.620 bezoekers aan Munch : Van Gogh stond ik zaterdag voor De Schreeuw. Een werk waar ik lang geleden bij mijn eerste lessen kunstgeschiedenis al gefascineerd door raakte, kon ik eindelijk in het echt zien. Staand voor het werk schoot door mijn hoofd dat het maar goed is dat Edvard Munch vier versies heeft gemaakt. In 2012 werd een andere versie voor ruim 91 miljoen euro door private equitymiljardair Leon Black gekocht. Van werken in privébezit moet je maar hopen dat ze ooit nog in een museum worden getoond. Even later vroeg ik me af of andere bezoekers zich dat ook realiseerden. Ruim een kwartier stond een groepje op luide toon ditjes en datjes uit te wisselen. Eén van hen nam afscheid met de woorden: „Tot ons volgende Museumkaartuitje”.

Eerder die dag had ik de tentoonstellingen over Jan Schoonhoven in Schiedam en Delft bezocht. Onwillekeurig werd mijn blik daar getrokken naar de bordjes naast zijn reliëfs. Veel werken bleken uit de collecties van Joop van Caldenborgh, Bert Kreuk en een mysterieuze Berlijnse verzamelaar te komen.

Natuurlijk, veel kwamen er uit de collecties van musea die nog tijdens zijn leven werken van hem kochten. Toen ze nog niet zo duur waren. In een scène in de documentaire Het Nieuwe Rijksmuseum hield directeur collecties Taco Dibbets angstvallig via de telefoon in de gaten of een werk van Jan Schoonhoven op een veiling bij Christie’s niet voor een hogere prijs wegging dan hij zich kon veroorloven.

De reliëfs van Schoonhoven zijn verzamelaarsobjecten geworden. Op een veiling is al eens een goede Schoonhoven voor bijna 9 ton weggegaan. Topgalerie David Zwirner hield begin vorig jaar in New York biedt zijn werk nu aan. Een goede Schoonhoven wordt zo al snel te duur voor een Nederlands museum. En dat geldt voor veel kunstenaars, die door verzamelaars worden begeerd. Een goede tentoonstelling kan niet zonder bruiklenen van verzamelaars. Een goede relatie met ze is voor musea noodzakelijk, maar soms ook ingewikkeld, blijkt uit een rondgang verderop in dit CS.

Daarom blijft het voor musea van groot belang dat ze vroegtijdig talenten ontdekken, want dan kunnen ze met hun bescheiden aankoopbudgetten nog toeslaan. Dat kan alleen in een omgeving waarin galeries en beeldende kunstinstellingen gedijen. Maar de laboratoriumfunctie staat in Nederland onder druk, constateerden we vorige week al. En daarmee ook het potentieel voor onze musea. Ooit zal de bezoeker dat merken bij zijn ‘Museumkaartuitje’.