‘Hebben ze hun vaccinaties wel gehad in Syrië?’

In Ede houdt de jeugdarts spreekuur. „Bedplassen is vaak een teken van stress.”

De jonge Syrische ouders aarzelen bij de deur. De moeder draagt haar dochtertje van net een jaar op haar arm. Jeugdarts Henrike ter Horst van GGD Gelderland-Midden wenkt hen kordaat naar binnen. Ze gaan tegenover haar zitten, het meisje op schoot.

„Heeft ze vaccinaties gehad”, vraagt Ter Horst in het Engels. De ouders begrijpen het niet, maar de vader pakt zijn smartphone. „Vaccinaties?”, typt Ter Horst en wijst op het meisje. Via Google Translate wordt de tekst omgezet in het Arabisch. De vader leest, glimlacht en typt dat ze zelfs de vaccinatiekaart hebben meegebracht uit Syrië. Hij gaat die even halen.

Henrike ter Horst heeft spreekuur voor vluchtelingenkinderen van nul tot vier jaar oud. Ze verblijven in de noodopvang op het kazerneterrein net buiten Ede. De twee gebouwen zijn nog maar kort geleden in gebruik genomen. Er is een koelkast voor de vaccinaties, een Senseoapparaat, een personenweegschaal en een meetlint.

Normaal gesproken werkt Henrike ter Horst op het goed geoutilleerde consultatiebureau in Ede. Daar worden kinderen gevolgd, worden groei en ontwikkeling gecontroleerd, wordt gevaccineerd, worden problemen gesignaleerd, opvoedingsvragen beantwoord en kinderen eventueel doorverwezen naar specialistische hulp. Nu de noodopvang er is, zal Ter Horst ook spreekuur houden op het kazerneterrein. „Alle kinderen in Nederland krijgen dezelfde zorg”, zegt ze. „Dus ook vluchtelingenkinderen.”

Natuurlijk is er meestal een taalbarrière. Natuurlijk zijn er culturele verschillen in opvoeding en eetgedrag. Maar, zegt Ter Horst, „of een kind een gezonde indruk maakt, zie ik in drie minuten. Gezonde kinderen maken contact, willen spelen.”

De vader komt terug met de Syrische vaccinatiekaart. Ter Horst kijkt even beteuterd naar de Arabische letters. Dan gaat ze een kopie maken om te laten vertalen. „Syrische kinderen zijn meestal vrij goed gevaccineerd”, zegt ze. „Behalve als ze lang in vluchtelingenkampen hebben gewoond.”

„Geven jullie vitamine D?”, vraagt ze, en laat het flesje aan de vader zien. Hij schudt zijn hoofd. Hij krijgt het flesje mee. Tien druppels op een lepel, gebaart Ter Horst. Ze stopt een denkbeeldige lepel in haar mond. Dan bekijkt ze het meisje, luistert naar haar hart, voelt in haar liezen, kijkt naar de geslachtsdelen. Het ziet er allemaal goed uit. Dan vraagt ze de moeder haar op de weegschaal te zetten. Op het consultatiebureau worden de kinderen uitgekleed voor het wegen, maar in de kamer is het daarvoor te koud. Een te licht of te zwaar kind filter je er op deze manier ook wel uit, zegt Ter Horst.

Gevaarlijke reis

Ouders die trauma’s hebben opgelopen tijdens een oorlog of die een gevaarlijke reis hebben ondernomen, zijn een risico, zegt ze als de ouders zijn vertrokken. „Ik kijk ook naar de interactie tussen ouders en kind. Is de moeder betrokken? Is de vader lusteloos? Al is het in deze fase in de opvang wel lastig om er iets aan te doen. Ik noteer het, zodat we het in de gaten kunnen houden.”

Een moeder komt binnen met een dik ingepakt zoontje, ongeveer een jaar oud. Ze kijkt veel zorgelijker dan de Syrische moeder van net. Ook zij spreekt geen Nederlands. Ter Horst onderzoekt het kind. Hij ziet er gezond uit, maar is wel wat warm, vindt ze. Dat zou ook door de dikke lagen kleding kunnen komen. De moeder wijst op zijn keel. Ze kijkt met een spatel in zijn keel en het jongetje begint hard te huilen. Rode, onrustige keel, constateert ze.

Ter Horst belt de tolkentelefoon en vraagt om een Koerdisch-Turkse tolk. Als de tolk aan de lijn is, vertelt de moeder dat haar zoontje wel goed drinkt, hij krijgt borstvoeding, maar slecht eet en slaapt. Via de tolk vraagt Ter Horst of ze allemaal op één kamer slapen. „Ja.” Het gezin bestaat uit nog een jongetje, van acht, en hun vader.

Via de tolk vertelt Ter Horst dat ze even wil wachten met vaccineren. Het jongetje is nu niet helemaal lekker. Als hij last heeft van bijwerkingen, is dan niet duidelijk waar het door komt.

De moeder vraagt of ze wat voor zijn keel kan voorschrijven. Het gaat waarschijnlijk vanzelf over, zegt Ter Horst. Als het erger wordt, kunt u naar de huisarts die ook op deze locatie langskomt. Ze geeft wel een flesje vitamine D en regelt een kindertandenborstel.

De moeder heeft ook een vraag over haar zoontje van acht. Die is weer in bed gaan plassen. Ter Horst legt via de tolk uit dat voor grotere kinderen op andere dagen een jeugdarts beschikbaar is. Als de moeder iets gerustgesteld is vertrokken, zegt ze: „Een bekend probleem, dat bedplassen. Zo’n reis levert natuurlijk een hoop stress op voor de kinderen.”